Stadslandbouwreis – dag 3

Onze derde dag begon lui; nu eens niet in een lange stoet achter Guido’s rode petje aan naar de metro, maar in onze eigen privé bus. We reden de stad uit, naar de Hudson Valley. Het was een zonnige dag en de omgeving fantastisch, met gele en rode bomen en glinsterende meertjes. Wel even iets anders dan Brooklyn, waar we gisteren waren.

We bezochten het Glynwood Institute for Sustainable Food and Farming. Hier kregen we eerst een rondleiding over de boerderij, door Donald Arrant. Hij vertelde dat ook deze boerderij met een CSA systeem werkt; er zijn ongeveer 100 klanten. Daarnaast wordt aan restaurants verkocht, en aan mensen die toevallig langskomen. In de toekomst zou Donald op een boerenmarkt willen staan, maar het is moeilijk toegang te krijgen tot de markten in New York. Er wordt wel groente verbouwd, maar het gaat op dit bedrijf vooral om dieren; er zijn koeien, schapen, geiten, varkens, kippen en kalkoenen. De kippen en kalkoenen worden op de boerderij zelf geslacht en verwerkt. Er wordt veel in kringlopen gedacht; de kippen lopen bijvoorbeeld op de wei om stikstof en fosfor terug in de grond te krijgen. Net als in de tuinen gisteren, werkt ook dit bedrijf met stagiairs. Dat is ook nodig, want het bedrijf is erg arbeidsintensief. De lokale bevolking wordt betrokken door middel van verschillende activiteiten, zoals oogstfeesten.

Na de rondleiding was er een aantal presentaties. Kathleen Fritts, de president van Glynwood, vertelde over haar missie; agrarisch land in productie houden, en  regionale voedselsystemen van waarde te laten zijn voor gezondheid, het milieu en de gemeenschap. Ze doet dat door middel van verschillende projecten, die zich richten op de maatschappij, de lokale gemeenschap, en boeren. Zo is er een campagne om voedselverspilling tegen te gaan, wordt er met scholen en ziekenhuizen gewerkt, en worden boeren geholpen met het marketen van een nieuw product (appelcider). Vervolgens sprak Judith LaBelle, de voormalige president. Zij vertelde over de landbouw in de Hudson Valley, en de uitdagingen waar die voor staat. De verbinding tussen stad en platteland moet volgens haar versterken, en het regionale voedselsysteem opnieuw opgebouwd worden om de twee kanten dichter bij elkaar te brengen. Het is belangrijk boeren in business te laten houden, want als ze stoppen wordt het land niet onderhouden. De laatste jaren zijn veel boeren gestopt met hun bedrijf, maar tegelijkertijd groeit het aantal kleine bedrijven, en zijn er steeds meer jonge mensen die boer willen worden. De problemen die boeren hebben zijn overigens vergelijkbaar met die van Nederlandse boeren; hoge grondprijzen, veel oudere boeren, en veel boeren die buitenshuis moeten werken om het hoofd boven water te houden. Tally Blumberg, de senior vice president van het Open Space Institute, was daarna aan de beurt. Het Open Space Institute heeft als doel grond beschikbaar te houden voor landbouw, natuur, recreatie en erfgoed. Ze doet dat onder andere door land van stoppende boeren op te kopen en aan andere boeren door te verkopen. Soms moeten daarvoor nieuwe financiële constructies in het leven worden geroepen. Virginia Kasinki, de directeur van het programma Keep Farming, was de laatste vrouw om te spreken. Het programma verbindt gemeenschappen, boeren en voedsel. De gemeenschap wordt gevraagd na te denken over de waarde van landbouw in het gebied en hoe dat in stand te houden. Op die manier ontstaat een waardevolle achterban voor de boeren.

Na een heerlijke lunch reden we weer wat dichter naar de stad, naar het Stone Barns Center for Food and Agriculture, waar we een rondleiding kregen van Jack Algiere. Dit is een groot multifunctioneel non-profit bedrijf, dat op verschillende manieren de gemeenschap bij het bedrijf probeert te betrekken en het idee van duurzame landbouw wil promoten. Het bedrijf richt zich enerzijds op de maatschappij als geheel, anderzijds specifiek op kinderen en studenten. Ook hier wordt weer gebruik gemaakt van stagiairs die op het bedrijf worden opgeleid en daar ook een vergoeding voor krijgen. Een groot deel van deze stagiairs is vrouw, waarvan Jack grappend zei dat ze geschikter zijn om op zo’n gediversificeerd bedrijf te werken. Op het bedrijf zijn een restaurant (die door andere eigenaren wordt uitgebaat en winst maakt), een winkel, een cafe en een training centrum. Groente wordt rechtstreeks van het bedrijf verkocht en in het restaurant gebruikt. Er worden vooral veel dieren gehouden, omdat het landschap en de grond zich daar goed voor lenen.

Al met al een dag waarin we twee erg mooie bedrijven op mooie locaties hebben gezien. De zon zal daarin ook hebben meegespeeld. En hoewel deze bedrijven natuurlijk erg anders waren dan die in de stad, met andere uitdagingen en succesfactoren, lijken ze in doelstellingen en ook in uitvoering ook erg op elkaar. Het gebruik van stagiairs, directe verkoop, en het ideaal om anders met landbouw en voedsel om te gaan.

 

 

Advertenties
Een reactie plaatsen

1 reactie

  1. Stadslandbouwreis – andere blogs | onderzoekerstadslandbouw

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: