Kritische reacties

De verdediging van mijn proefschrift is inmiddels ruim twee maanden geleden. Na die bewuste dag kon ik me een tijdje niet goed meer motiveren voor zaken die met de promotie te maken hadden. Het blijkt toch best druk, zo’n onderzoek afronden. Maar nu de vakantie achter de rug is en er genoeg tijd is verstreken ben ik weer bijgekomen.

Mijn onderzoek is veel in het nieuws geweest. Dat was leuk, maar soms ook lastig. Het persbericht dat we hebben verstuurd had als titel ‘stadslandbouw leidt niet tot gezelligere buurt’. Dat was prikkelend, en is volgens mij de reden dat er zoveel aandacht voor is geweest. De rest van het persbericht was genuanceerder, en in de interviews die ik heb gegeven heb ik ook altijd geprobeerd een genuanceerder beeld te schetsen. Maar het heeft wel tot een aantal kritische reacties geleid. Hoewel dat soms moeilijk was, vind ik het ook leuk. Er is discussie ontstaan, die mij ook weer aan het denken heeft gezet.

Zo was er het blog van Krijn Korver waarin hij aangeeft dat mijn punt dat de verwachtingen van buurttuinen vaak te hoog gespannen zijn, eerder een punt van kritiek is op degenen die die verwachtingen hebben, dan op de buurttuinen zelf. Dat past helemaal bij wat ik wilde zeggen. Ik denk dat we meer belang moeten hechten aan de ‘kleine’ effecten van buurttuinen: iemand die zijn wijkgenoot kan groeten op straat omdat ze samen hebben getuinierd, kinderen die een keer frietjes bakken van zelfverbouwde aardappelen en iemand die zijn hart kan luchten in de kantine van de volkstuin. Zinvolle en belangrijke effecten.

Tegelijkertijd wil ik de effecten van buurttuinen niet overdrijven. Ja, tuinders leren elkaar kennen. Ja, mensen vinden het fijn een praatje te maken op de tuin. Ja, sommigen kunnen bijna iedere avond van hun tuin eten. Maar de meeste tuinen doorbreken geen sociale structuren, veel mensen die bij een buurttuin betrokken zijn eten maar weinig van hun tuin, en veel contacten die op de tuin ontstaan gaan niet verder dan de tuin zelf. Dat is misschien niet de boodschap die mensen willen horen, maar dat is wel wat ik heb gevonden. Uit mijn onderzoek blijkt dat buurttuinen inderdaad tot sociale cohesie leiden, maar tegelijkertijd gaven veel van mijn respondenten aan dat niet erg belangrijk te vinden. En hoewel de meeste tuinen in mijn onderzoek biologisch te werk gaan, vond ik tegelijkertijd dat mensen zich geen onderdeel voelen van een voedselbeweging.

Hans van Ekelen schrijft in zijn nieuwsbrief (klik op 26ste nieuwsbrief) dat de media het ‘ontbreken van een gezelligheidsaspect’ hebben opgepikt. Hij windt zich op over de mediahype, en schrijft “Niets is zo oneerlijk dan, zonder kennis van zaken, een hele boomgaard besmet te verklaren omdat er één rotte appel in hangt.” Maar ik heb niet willen zeggen dat er sprake is van een ‘rotte appel’. En het was ook zeker niet mijn bedoeling ‘laatdunkend’ te doen over buurttuinen, zoals Krijn Korver suggereert. Buurttuinen hebben vele voordelen. Maar ik ben wel kritisch op de grote voordelen die soms aan buurttuinen worden gekoppeld. Nogmaals, dat betekent niet dat buurttuinen geen nut hebben, het betekent volgens mij alleen dat we er op een andere manier naar moeten kijken. Ik zou het jammer vinden als het persbericht tegen buurttuinen zou worden gebruikt, maar een ieder die de samenvatting van mijn proefschrift leest weet wel beter.

Dit is voorlopig mijn laatste berichtje. Niet alleen omdat mijn proefschrift klaar is, maar ook omdat volgende week mijn zwangerschapsverlof ingaat.

Het zit erop

Sinds afgelopen maandag mag ik me ‘dr’ noemen. Het zit erop, ik ben gepromoveerd! Zoals reeds gepromoveerden al zeiden, maar wat ik nooit geloofde, ik vond de verdediging eigenlijk best wel leuk. Ik was van te voren ook betrekkelijk kalm, lang zo zenuwachtig niet als ik dacht dat ik zou zijn. Wel gespannen natuurlijk, maar ik kon gewoon eten 😉

Toch kwam ik bij het lekenpraatje (je hebt voor de verdediging een kwartiertje om je onderzoek in ‘gewone mensen taal’ uit te leggen) ontzettend zenuwachtig over, ik had mijn stem helemaal niet onder controle. Hoe dat kan weet ik niet, misschien omdat het zo’n rare gewaarwording was om de zaal in te kijken – ik zag alleen maar bekende gezichten. Leuk vind ik het niet natuurlijk, ik had het goed voorbereid en wist precies wat ik wilde vertellen, en normaalgesproken kom ik veel relaxter over. Maar goed, niks meer aan te doen.

Toen de commissie eenmaal begon met vragen stellen, begon ik het leuker te vinden. Terwijl ik daar juist zo tegenop had gezien. Maar ik had het heel goed voorbereid, kon me helemaal richten op de commissie waardoor ik de zaal vergat, en na de eerste vragen wist ik dat ik het kon. Soms begreep ik de vraag niet helemaal goed, en achteraf weet je natuurlijk wat je beter had kunnen doen, maar over het algemeen was ik wel tevreden. De tijd ging ook heel snel voorbij; toen de pedel kwam met het ‘hora est’ (ten teken dat je klaar bent) was ik verbaasd dat het al zover was.

Daarna was het alleen nog maar tijd om een feestje te vieren. Lekker op de boerderij, met kinderen die de geitjes konden voeren, lekker eten en een zonnetje. Wat wil een mens nog meer 🙂

Overigens had ik de verdediging al wat kunnen oefenen, want er is redelijk wat media aandacht geweest. Een paar dagen voor de verdediging heeft de WUR een persbericht verspreid, dat hier en daar is opgepikt. Zo was ik deze week bij Radio 1 en BNR, en op de dag van de verdediging werd ik door een aantal lokale omroepen gebeld in hun uitzendingen; ik werd een uur voor ik ‘op moest’ zelfs nog gefilmd voor TV Gelderland. Zo kon ik al een beetje wennen aan het beantwoorden van vragen.

De laatste loodjes

Nu ik weet dat ik binnenkort mijn proefschrift mag verdedigen, ben ik begonnen met de voorbereidingen. Dat is ook hard nodig, want nadat ik het had ingeleverd heb ik er een paar weken niet naar omgekeken (heerlijk, haha), en in die tijd is het een beetje naar mijn achterhoofd verschoven.

Als onderdeel van de ceremonie rondom de verdediging krijgt elke kandidaat een kwartier om zijn of haar onderzoek uit te leggen aan de aanwezigen, het zogenaamde ‘lekenpraatje’. Hoewel het nog best lastig is je onderzoek in zo’n korte tijd uit de doeken te doen – zonder al teveel jargon te gebruiken – kun je dit wel goed voorbereiden: je kunt het oefenen, aanpassen, nog een keer oefenen, weer aanpassen, en nog een keer oefenen. Dus zo zit ik ’s avonds mijn vriend te vervelen met weer hetzelfde praatje maar dan net anders, en ga ik binnenkort ook eens oefenen op het werk.

Het voorbereiden van de feitelijke verdediging vind ik veel lastiger. Je weet de vragen immers niet van tevoren, dus wat kun je precies verwachten, hoe bereid je je hierop voor? Ik ben dus maar mijn eigen proefschrift aan het herlezen, aan het opzoeken waar mijn opponenten zich mee bezig houden, en ik probeer te bedenken welke vragen ik zou kunnen krijgen (waar zitten de zwakke punten in mijn proefschrift, wat zouden ze over de stellingen kunnen vragen?), maar ik vind dit allemaal moeilijk in te schatten.

Overigens heb ik laatst de proefdruk van mijn proefschrift ontvangen. Het was maf en vooral erg leuk om het boekje in mijn handen te hebben, en het niet op een computerscherm te zien. Maar nu ik dat boekje aan het doorlezen ben, kom ik toch nog foutjes tegen. Kleine dingen, maar toch – als je ze ziet wil je ze ook aanpassen. Maandag komt de vormgeefster terug van haar vakantie en dan hebben we precies nog tijd om een nieuwe proefdruk aan te vragen, het kan allemaal net, maar een beetje frustratie en stress levert het wel op. Maar goed, zoals de titel van dit blog al zegt: het zijn de laatste loodjes.

 

It giet oan!

Eergisteren kreeg ik het verlossende mailtje: mijn proefschrift is goedgekeurd! Als je het eenmaal hebt ingeleverd is de kans dat het wordt goedgekeurd op zich groot, maar toch is het erg fijn om de bevestiging te krijgen. Dat betekent dat het nu tijd is voor het drukken van het boekje, het organiseren van het feestje, en natuurlijk het voorbereiden van de verdediging; die staat gepland op maandag 15 juni om half 2, in de aula van Wageningen UR.

De magie van de moestuin

Afgelopen vrijdag werd ik gebeld door een journalist van nu.nl, over de rage van de moestuin. Ze stelde best een aantal lastig te beantwoorden vragen (zijn groenten uit de moestuin gezonder? Eh, tja, dat ligt eraan!), of vragen waar ik ook alleen maar wat over kon speculeren (waarom is moestuinieren ineens hip?) maar het is een leuk stukje geworden: http://www.nu.nl/weekend/4015361/magie-van-moestuin-waarom-zelf-telen-terug.html.

Ingeleverd!

Vandaag heb ik mijn proefschrift ingeleverd. Maf hoor, ik heb het gewoon naar het secretariaat gestuurd, dus echt spectaculair is dat niet. De secretaresse print het dan uit, en stuurt het naar het secretariaat van het college van promoties. Die versturen het dan weer naar mijn leescommissie. Mij rest voorlopig niet veel anders dan wachten of het wordt goedgekeurd.

Vandaag was ook weer mijn eerste normale werkdag nadat ik heel februari vrij had genomen om aan de laatste loodjes te werken. Na een maand afwezigheid ligt er weer heel wat werk te wachten, dus een zwart gat is er voorlopig nog niet. Volgens mijn vriend heb ik nu wel tijd om eindelijk eens te gaan sporten, dus daarvoor moet ik even een nieuw excuus gaan zoeken 😉

Top drie der frustraties bij het afronden

In deze fase van het afronden van mijn proefschrift heb ik maar weinig te klagen; ik heb genoeg tijd, ik heb geen grote veranderingen hoeven doorvoeren en ik heb geen grote inzinkingen. Desalniettemin, een paar frustraties heb ik wel. Hier mijn top 3:

1. Figuren in excel. In mijn proefschrift gebruik ik aardig wat figuren die ik heb gemaakt in excel. En het is nog een hele klus om die figuren allemaal gelijk te krijgen. Heb ik net alles aangepast en van alle figuren PDFs gemaakt, vind ik nog ergens een spelfout. Of het lettertype is ineens erg groot, of ik zie bepaalde lijnen niet meer terwijl ze er toch echt zouden moeten staan. En omdat ik geen standaardopmaak gebruik maar mijn figuren handmatig heb aangepast, moet ik voor alles wat ik wil veranderen het hele figuur weer aanpassen. Bovendien moest ik nog een lettertype downloaden, wat ook niet ging zonder slag of stoot. En dan de onderschriften; sluit je af met een punt, of juist niet, wat zet je tussen haakjes en wat niet… gek word ik ervan! Over de referentielijst kan ik overigens nog zo’n verhaal afsteken, maar dat zal ik jullie besparen.

2. Wachten, wachten, wachten. In deze laatste fase ben ik nogal afhankelijk van anderen; mijn begeleiders kijken naar mijn stukken, de editor loopt alles na op de Engelse taal, en vervolgens maakt de opmaker alles netjes op. Al die mensen hebben natuurlijk tijd nodig, dat is logisch. En ach, zo lang duurt het vaak ook helemaal niet. Maar die afhankelijkheid vind ik wel lastig; ik wil gewoon doorstomen en heb alles het liefst per ommegaande retour. Tja.

3. Twijfel. Best spannend hoor, dat alles straks zwart op wit staat. Slaat wat ik heb geschreven wel ergens op? Heb ik me bij de conclusies niet teveel laten leiden door mijn laatste artikelen? Heb ik geen tunnelvisie ontwikkeld? Heb ik alles wat ik te weten ben gekomen wel meegenomen? En hoe ik die theory of practice heb beschreven, klopt dat eigenlijk wel? Soms kan de schrik me om het hart slaan; zeg ik geen tegenstrijdige dingen? Dan probeer ik snel te bedenken wat ik bij de verdediging zou zeggen als dat me verweten werd. Natuurlijk hebben mijn begeleiders het ook gelezen, en dat ze tevreden waren sterkt me. Maar ze hebben alleen de afzonderlijke hoofdstukken gelezen, niet het proefschrift van A tot Z. Ik probeer het hoofd maar koel te houden, lijkt me toch het beste 🙂

De Nederlandse samenvatting

De laatste loodjes; over drie weken moet ik mijn proefschrift inleveren. Kon ik me in december nog nergens anders op concentreren dan het schrijven zodat ik me rond oud en nieuw zo ongeveer doorzichtig voelde, deze maand voelt een stuk gezonder, omdat ik goed op schema lig. Het meeste werk is verzet, de hoofdstukken geschreven. Ik moet nog wel commentaar op de tekst verwerken, een hoofdstuk aanpassen naar aanleiding van opmerkingen van editors, en de laatste losse eindjes regelen: editen en opmaken, en zaken als titelpagina’s, referenties en stellingen opstellen.

En dan is er nog de samenvatting. Het is verplicht om zowel een Engelse als een Nederlandse samenvatting te schrijven, en daar ben ik momenteel mee bezig. Ik ben maar begonnen met de Engelse, ik schrijf mijn proefschrift immers in het Engels. Maar ja, de Nederlandse… Op zich schrijf ik nog redelijk vaak in het Nederlands; op dit blog bijvoorbeeld, maar ook de meeste rapporten die ik op het werk schrijf zijn in het Nederlands. Toch vind ik die Nederlandse samenvatting best lastig! Ik heb de Engelse tekst maar in google translate gegooid, en ben dat vervolgens aan het herschrijven. Want tja, ‘we leggen uit dat de toewijzing tuinders zijn betrokken bij de praktijk van het tuinieren’, dat is een beetje lastig te volgen. Ik heb de Engelse tekst er zelfs bij nodig, anders snap ik niet wat ik wilde zeggen. Het lastige is echter dat niet alle woorden die ik gebruik vertaalbaar lijken. Het gaat dan vaak om jargon. Dat een community garden in het Nederlands niet gemeenschapstuin heet maar buurttuin, is niet zo moeilijk. Maar hoe vertaal je de ‘theory of practice’, ‘Alternative Food Networks’, of ‘interest-based gardens’? Misschien is google translate niet zo’n goed idee, want het is moeilijk om de gegeven, vaak letterlijke, vertaling los te laten. En eigenlijk moet ik natuurlijk wel hetzelfde verhaal vertellen, maar niet per se met dezelfde soort zinnen. Ik puzzel er dus nog maar even op.

Mijn trouwe vriend de koffiemolen

Ik ben nu zo’n vier weken fulltime aan het schrijven en het is interessant wat dat met je doet. Ik kan het nog goed volhouden, maar het valt me soms ook wel zwaar. Het moeilijkste vind ik dat ik alles uit mezelf moet halen. Natuurlijk heb ik mijn begeleidster, en zij geeft me ook echt aanwijzingen waar ik mee verder kan. Maar uiteindelijk moet ik daar dan zelf weer mee aan de slag. En soms weet ik gewoon even niet hoe. Gelukkig is gewoon maar weer beginnen een goed devies. Ik merk ook dat, nu de deadline voor het proefschrift steeds dichterbij komt, mijn wereld erg klein wordt. Dat komt niet alleen door het thuis werken, maar andere dingen worden steeds minder belangrijk omdat de focus op het proefschrift steeds groter wordt: ik sta ermee op en ga ermee naar bed. Mails van het werk waar ik anders meteen iets mee zou doen lees ik wel, maar vergeet ik vervolgens meteen. Ik denk daarom dat het goed is dat de kerstdagen voor de deur staan: een beetje afstand zal me wel goed doen (maar als ik eerlijk ben: liever werkte ik gewoon door…).

En hoe kom ik die weken thuis zitten en schrijven nu door? Heel simpel eigenlijk, ik heb er een paar nieuwe goede vrienden bij 😉

unnamedDe koffiemolen. Een trouwe vriend in de ochtend. En de namiddag. En de vroege avond.

20141222_155855 (1)

Het saaie uitzicht met de grijze lucht. In onze straat is niet veel te beleven en het weer nodigt ook niet meteen uit om naar buiten te gaan. Kun je toch net zo goed binnen zitten eigenlijk.

20141224_163935Kauwgom. Het kauwen schijnt je hersenactiviteit te stimuleren. Maar het voorkomt ook dat ik teveel ga zitten snoepen tijdens het schrijven.

IMG-20141224-WA0000En natuurlijk freecell. Lekker om elk uur even vijf minuutjes mijn gedachten te verzetten. En het geeft me het gevoel dat ik nog logisch kan denken  (dat laatste is natuurlijk een smoes, en dat eerste misschien ook wel). Weet je wat, ik start er nog even eentje op. Na de kerst maar weer verder. Fijne dagen allemaal!

Copyright

Hoera! Sinds deze week is mijn tweede artikel gepubliceerd, in Food and Foodways. Een fijn gevoel, want dit artikel heb ik twee keer behoorlijk moeten herschrijven – eerst bij het eerste tijdschrift waar ik het heb ingediend, en toen bij het tweede – en vervolgens heb ik nog eens aanpassingen moeten doen. Een lange weg dus.

Het interessante van zo’n proces van publiceren is dat je je aan allerlei richtlijnen moet houden met betrekking tot hoe je je artikel inlevert. In dit geval moest ik de volledige tekst inleveren zonder de plaatjes en tabellen, een versie zonder de auteurs erop (in verband met het anonieme reviewen), de figuren als aparte files, een excelfile met alle tabellen, en nog een wordfile met daarin de tabellen geplakt, alsmede alle onderschriften van de tabellen en figuren. Ik heb deze week ook net mijn vierde artikel ingediend, en daar moest het weer allemaal anders, dus het is altijd goed opletten hoe ze het willen hebben, en uiteindelijk heb je dus allerlei verschillende versies (met tabellen, zonder tabellen, met auteurs, zonder auteurs, in het gevraagde lettertype, etc.).

Uiteindelijk is het allemaal mooi opgemaakt, met de tabellen en figuren in de tekst. Ik mag die versie echter niet delen, want er zit copyright op – en dat ligt niet bij mij. Wel mag ik de laatste versie die ik heb ingediend delen, en dat doe ik dus bij deze. Maar daar zaten dus geen figuren en tabellen in… Die heb ik gisteren geprobeerd tussen de tekst te plakken, maar word wilde niet erg meewerken en alles bleef verspringen. En omdat ik de stress en tijdsdruk van het proefschrift schrijven aardig begin te voelen, en ik negentien figuren heb, heb ik het opgegeven. In het document daarom eerst alle tekst, en achteraan de figuren en tabellen. Download het artikel hier.

O ja, wat staat er nu eigenlijk in dat artikel? Ik laat zien dat het eten van voedsel uit buurttuinen verweven is met andere activiteiten, en dat hier een verschil is tussen mensen die zelf tuinieren en mensen die eten kopen op de tuin. Mensen die zelf tuinieren, bijvoorbeeld in de volkstuin, eten vaak veel zelf-geproduceerd voedsel. Dat komt omdat ze verantwoordelijk zijn voor hun tuin, en van tuinieren houden, en dus vaak op hun tuin zijn. Het is dan makkelijk om de oogst mee naar huis te nemen. Dus: hoewel het tuinieren op zich wel veel tijd kost, is het meenemen van voedsel helemaal niet tijdrovend (want een gevolg van het tuinieren). Als mensen niet zelf hoeven te tuinieren – omdat ze de groenten kunnen kopen – wordt het bezoeken van de tuin een soort winkelen; mensen hebben geen verplichting om naar de tuin te komen en dus moeten ze het shoppen op de tuin elke keer afwegen tegen andere activiteiten. De tuin gaat dan concurreren met bijvoorbeeld de supermarkt. Mensen die niet zelf tuinieren hebben daardoor in de praktijk moeite om vaak voedsel van de tuin te eten; in het leven van alledag schiet het er soms bij in.