AESOP6

De afgelopen twee dagen was ik bij AESOP6, de zesde internationale ‘sustainable food planning’ conferentie, dit jaar in Leeuwarden. Vanochtend was het zogenaamde Young Professional Event. Mijn collega Jan Eelco was gevraagd dat te organiseren en hij had mij weer gevraagd hem daarbij te helpen. Om de workshop goed te kunnen voorbereiden hadden we de ‘jonge wetenschappers’ (meest PhD’ers) vantevoren gevraagd een enquête in te vullen over hun achtergond en hun ideeën over stadslandbouw. Jan Eelco heeft de resultaten gebruikt als voorbereiding op de workshop (zijn presentatie geeft een mooie samenvatting: bekijk hem hier). De deelnemers bleken allemaal verschillende achtergronden te hebben – geografie, sociologie, architectuur, gezondheid, etc. Ze kwamen ook uit veel verschillende landen, van Brazilië tot India, en van Griekenland tot Noord Amerika.

We deelden ons op in twee groepen en het was de bedoeling dat we onze dromen voor stadslandbouw vertelden, en vervolgens bedachten wat we nodig zouden hebben om die dromen waar te maken. Aan het einde van de conferentie moest de voorzitter van elke groep de resultaten presenteren aan het publiek. Ik was de voorzitter van mijn groep, dus aan mij de eer. Hieronder schrijf ik wat we besproken hebben. Omdat ons gesprek in het Engels was, en andere groepsleden het misschien willen nalezen, is dit in het Engels.

Our dreams

We dream that agriculture is embedded in the city, both in actual space – incorporating growing food in overpopulated cities such as in the South – and in symbolic space – getting people engaged in the decision making processes around the use of urban space. This urban agriculture should include an optimized use of waste, so that cycles can be closed.

We need

What we need is a strong evidence base to make a case for urban agriculture. We need to convince others about the values of urban food growing. These others are not only land owners but also policy makers – as we need an overarching policy change to realize our dream – and communities – as it is not evident for everyone that food is important and worth paying attention to. We do not only need narratives, the value of which is appreciated by scientists, but also numbers to convince these groups of urban agriculture’s values. This is the challenge that science could take up.

Solutions

We also came up with some solutions, some more practical, others more theoretical:

  • We could connect future residents with places that are waiting to be developed by project developers, so that those creating beautiful places on vacant lots by building urban gardens, are also the ones enjoying these beautiful places and their added value.
  • We could use zoning to change behaviour. As an example, building houses without parking places next to metro stations might push people towards using public transport. Something similar could be used for urban agriculture, but also for closing cycles – by making this a standard part of a business plan.
  • Local growing could be accompanied by local selling, creating a patchwork of local food buying points throughout the city.
  • We could introduce mediators between communities and the private sector, and create standard lease contracts.
  • We should think about urban agriculture not in isolation. We should create a case for urban agriculture on different grounds and on different levels.
  • We could shift subsidies from industrial farming to urban agriculture projects. This doesn’t mean it can only be small scale – all small scales combined link up to one larger scale.
  • Similarly, by building knowledge and skills in individuals we can create a larger scale movement.

Hence, our argument is that we can make a case for urban agriculture if we make its values clear, and link up smaller scales – both people and places – to create a larger movement.

 

 

Advertenties

Dag van de stadslandbouw 2014

Afgelopen donderdag was de Dag van de Stadslandbouw 2014. Het werd voor de derde keer gehouden, dit keer in Utrecht, in de Fabrique (wat een locatie!). Er worden tegenwoordig zoveel bijeenkomsten rondom stadslandbouw georganiseerd dat ik het niet meer kan bijhouden. Elke week is er wel iets te doen. Ik word er soms bijna een beetje door murw geslagen – terwijl het natuurlijk hartstikke leuk is dat het onderwerp zoveel in de belangstelling staat.

Omdat er zoveel te doen is, ga ik lang niet overal naartoe. Maar ik had het gevoel dat ik de Dag van de Stadslandbouw niet kon missen, en aangezien het in mijn eigen stad was…  Inderdaad was het een groot evenement waar ik veel bekenden tegenkwam, zowel van binnen als van buiten Wageningen UR. Zelf raakte ik geïnspireerd door Claus Meyer, mede-eigenaar van restaurant Noma in Kopenhagen, dat nu al voor de vierde keer is uitgeroepen tot het beste restaurant ter wereld. Bovendien is hij grondlegger van de New Nordic Cuisine – een beweging om voedsel uit Scandinavië (weer) te waarderen en er een ‘keuken’ van te maken (zoals de Franse of de Italiaanse keuken), onder andere door gebruik te maken van lokale producten. Hij sprak vol passie, had zijn bedrijf van de grond af opgebouwd en kon zijn geloof in de kracht van goed voedsel helder overbrengen. Ik heb diezelfde avond nog een groenteabonnement van een tuinderij uit de buurt genomen. 🙂

Eén van de keuze-sessies in het programma ging over ‘de sociale effecten van stadslandbouw’. Gezien mijn promotie-onderwerp moest ik daar wel naartoe. Hoewel ik de sprekers al kende van de stadslandbouwreis naar New York (oktober 2012) was het zeker de moeite waard. Caroline Zeevat vertelde over een moestuinproject dat ze begeleidt in opdracht van Woningbouwvereniging Vestia. Ze gaf een interessante inkijk in hoe ze die begeleiding aanpakt; de les die ik heb meegenomen is dat er voor langere tijd begeleiding nodig is. De bewoners zijn erg enthousiast en nemen het tuinieren serieus, maar kunnen het project (nog) niet volledig zelf dragen. Overigens geldt dat niet voor alle buurttuinen. In andere wijken, met een ander publiek, kan dat anders zijn. Cees Bronsveld, de stadssocioloog van Rotterdam, presenteerde de resultaten van zijn onderzoek naar de sociale effecten van stadslandbouw. Ik had zijn boek – Onze Oogst – met veel interesse gelezen. Zelf vond ik daarin de bespreking van het begrip sociale cohesie vooral waardevol; het is een moeilijk begrip en hij legt het in heldere woorden uit. Verder vindt hij vooral (anekdotisch) bewijs voor een aantal van de positieve effecten waar stadslandbouw mee geassocieerd wordt, hoewel hij die ook weet te nuanceren. Tijdens de sessie werd een aantal interessante vragen opgeworpen. Bijvoorbeeld; ‘moet je de openbare ruimte wel opzadelen met beleidsdoelstellingen?’ Dat is immers wat je doet als je een tuin aanlegt om bijvoorbeeld obesitas tegen te gaan of sociale cohesie te bevorderen. Een mogelijk antwoord is dat dat nodig is om ervoor te zorgen dat groepen niet worden buitengesloten; zelforganisatie brengt altijd segregatie met zich mee. Dit is overigens ook één van de conclusies van een artikel waar ik nu aan werk.

 

Living knowledge

Vorige week was de 6th Living Knowledge conferentie in Kopenhagen. Het Living Knowledge netwerk is een netwerk van mensen die zich bezig houden met onderzoek in samenwerking met de maatschappij. Het gaat dus niet om onderzoek naar mensen, maar onderzoek met mensen – community-based research wordt dat genoemd. Veel Europese wetenschapswinkels zijn bij dit netwerk aangesloten, en zo ook de wetenschapswinkel van Wageningen UR. Omdat ik sinds kort bij onze wetenschapswinkel ben betrokken en geïnteresseerd ben in onderzoek met maatschappelijke partijen, ging ik hier naar toe. Overigens gaat community-based research niet alleen om wetenschapswinkels, maar ook om andere manieren waarop de maatschappij betrokken wordt bij onderzoek en onderwijs. Bijvoorbeeld vakken waarin casussen uit de praktijk worden opgepakt.

Wageningen was goed vertegenwoordigd; we waren met wel 25 mensen aanwezig. Dit waren projectleiders van de wetenschapswinkel, een groep studenten die aan een wetenschapswinkelproject hebben gewerkt en bijvoorbeeld mensen die betrokken zijn bij een vak dat opdrachten uitvoert voor bedrijven en maatschappelijke partijen. Ik kende deze mensen nog niet allemaal. Zo was de conferentie dus vooral erg goed voor mijn Wageningse netwerk.

Tijdens de presentatie heb ik een aantal sessies bezocht over online manieren om burgers bij onderzoek te betrekken. Dat ging dan bijvoorbeeld over online communities of discussiefora. Hoewel ik niet per se hele nieuwe dingen heb gehoord, vond ik het toch nuttig om weer eens na te denken over de mogelijkheden van het internet. Tijdens één van de sessies (georganiseerd door SciCafe 2.0, een EU onderzoeksproject) hebben we bijvoorbeeld nagedacht over wat wel en wat niet werkt als je een discussieforum opstart. Dit plaatje geeft een weergave van de resultaten daarvan.

Naamloos

Ik had een abstract ingediend om een presentatie te geven, maar ik mocht alleen een poster presenteren. In eerste instantie was dat een beetje teleurstellend (doorgaans willen deelnemers liever een presentatie geven dan een poster presenteren). Maar ik moet eerlijk zeggen dat het achteraf ook wel fijn was; als je niet ‘echt’ hoeft te presenteren scheelt dat wel zenuwen. Bovendien is het leuke van een posterpresentatie dat je veel mensen één op één spreekt – mensen lopen langs je poster en je staat er zelf naast om vragen te beantwoorden. Veel interactiever dan voor een zaal staan natuurlijk. Mijn poster behandelde een project waar ik eerder al eens over schreef, waarin AOC studenten workshops gaven aan basisschoolleerlingen. Download hem hier.

Buurten bij de buren

Vorige week was het in Wageningen ‘Buurten bij de Buren’. Medewerkers van verschillende onderdelen van Wageningen UR laten daarin aan andere medewerkers zien waar ze mee bezig zijn. Er was een uitgebreid programma met verschillende presentaties en excursies.

Ook ik hield een presentatie. Er hadden zich maar een paar mensen aangemeld voor mijn verhaal. Dat vond ik niet zo heel verwonderlijk omdat het aanbod erg groot was. Een excursie of rondleiding is bovendien wat interessanter dan een powerpoint. De groep werd echter nog wat kleiner omdat een aantal mensen dat zich had aangemeld niet kwam opdagen. Des te leuker toen drie mensen uit mijn eigen team, die toevallig ook in Wageningen aan het werk waren, de zaal binnenkwamen! Zij zijn mijn directe collega’s – één van hen is zelfs mijn kamergenoot – maar je weet toch niet altijd van elkaar waar je precies mee bezig bent. En met een promotie is dat misschien nog wel meer zo; dat is toch wel erg mijn eigen onderzoek. Ze vonden het daarom leuk om weer eens een update te krijgen van wat ik doe. Zo werd buurten bij de buren dus eigenlijk praten met mijn eigen collega’s. 🙂

Download de presentatie hier.

Failed technology

Vandaag moest ik presenteren in Florence, op de conferentie van de European Society of Rural Sociologists. Maar ik ben gewoon in Utrecht.

Eind vorig jaar had ik al besloten naar deze conferentie te gaan. Via een collega van de leerstoelgroep was ik gevraagd als ‘co-convenor’ van een werkgroep. Een conferentie bestaat doorgaans uit een (groot) aantal werkgroepen, met allemaal hun eigen thema. Vaak komen die werkgroepen tijdens de conferentie een paar keer bijeen in sessies, waarin de deelnemers hun presentatie geven. Die werkgroepen worden voorbereid door convenors. Het staat de deelnemers van een conferentie overigens vrij om sessies van andere werkgroepen bij te wonen.

Twee wetenschappers uit Griekenland waren naar een derde persoon op zoek om samen een werkgroep mee vorm te geven; dit is waar ik in beeld kwam. Samen hebben we het thema van de werkgroep opgesteld, hebben we de ingediende abstracts (een korte samenvatting van de presentatie) beoordeeld en hebben we een schema opgesteld voor de verschillende presentaties in de verschillende sessies. Omdat ik nog niet eerder convenor was geweest was dit een leerzame ervaring.

Toen ik ja zei tegen deze rol van convenor wist ik echter nog niet dat ik tegen de tijd van de conferentie acht maanden zwanger zou zijn. Toen ik dat eenmaal wist besloot ik dat het waarschijnlijk geen goed idee was om met een dikke buik, terwijl ik al niet meer mocht vliegen, een werkgroep te leiden in de Italiaanse hitte. Ik moest mijn mede-convenors dus teleurstellen (gelukkig begrepen ze het erg goed). In plaats van een werkgroep voor te zitten volg ik daarom nu een cursus aan de universiteit van Utrecht.

We hadden echter afgesproken dat ik nog wel zou presenteren, via Skype. Dus ben ik vanochtend de collegezaal uitgeslopen om thuis achter mijn computer te gaan zitten. We hadden vrij snel een Skype verbinding, maar de presentatie bleek van de computer in Florence verdwenen. Die moest ik dus eerst opnieuw opsturen. Dat duurde even – na een uurtje was ik aan de beurt om te presenteren. Ik begon vol goede moed maar het was een rare ervaring. Hoewel ik op een klein schermpje de zaal kon zien, zag ik mijn eigen slides niet. Dat versterkte het gevoel dat ik tegen mijn eigen computer praatte. Waarschijnlijk ging ik daardoor erg snel praten want ik werd gevraagd een beetje rustiger aan te doen. Het geluid bleek ook erg slecht en daarom vroegen ze me ook een wat verkorte versie van de presentatie te geven. Net toen ik verder wilde gaan – in een lagere versnelling en met een verkorte versie – hadden we geen verbinding meer. Ik hoorde nog net iemand zeggen dat de slides er mooi uitzagen. Ik heb nog een half uur gewacht maar we hebben geen verbinding meer kunnen krijgen. Heel vervelend, vooral omdat ik weet dat mijn mede-convenors moeite hebben moeten doen om dit voor elkaar te krijgen. Volgende keer moet ik het toch maar weer gewoon live doen…

Een andere insteek – EURA

Vorige week was de EURA conferentie, dit jaar in Enschede. De EURA  – European Urban Research Association – is voor mij een vrij onbekende vereniging; ze richt zich op stedelijk onderzoek terwijl Wageningen van oorsprong juist naar het landelijk gebied kijkt. Daar is met het thema stadslandbouw natuurlijk verandering in gekomen, maar één van de belangrijkste conferenties voor mij en collega’s is bijvoorbeeld nog steeds de conferentie van de European Society of Rural Sociology. Ook de tijdschriften waar we veel uit lezen of in hopen te publiceren hebben een ruraal-sociologische insteek. Het gaat vaak over voedsel/landbouw – die wordt bekeken in een stedelijke context. Nu was ik in een omgeving waar het juist om die stedelijke context gaat; landbouw/voedsel is één van de onderwerpen die je daarin kunt onderzoeken. Ik had deze conferentie specifiek uitgekozen; dan kijk je eens van een andere kant naar je eigen onderzoek, en ik wilde ook weten hoe ‘ons’ onderwerp het zou doen in die context.

En zo was ik vorige week dus ineens op een conferentie waar ik zo goed als niemand kende (en voelde ik me weer een beetje zoals toen ik net begon aan mijn PhD). De conferentie was vrij klein, maar interessant. Consequentie van het feit dat het thema niet specifiek op stadslandbouw was gericht was natuurlijk dat niet alle presentaties even relevant waren. Maar dat was natuurlijk ook een beetje waar ik naar op zoek was; ik denk dat het soms goed is een beetje verder te kijken en van de geijkte paden te gaan. Zo krijg je weer nieuwe frisse ideeën en kun je eens met een andere blik kijken naar waar je mee bezig bent.

Overigens was  stadslandbouw niet helemaal afwezig; het werd hier en daar genoemd als het over nieuwe ontwikkelingen in de stad ging. En in de sessie waarin ik moest presenteren presenteerde iemand anders over ‘zero-acreage agriculture’; landbouw waar je geen oppervlakte voor nodig hebt, zoals op daken of in leegstaande panden. We hadden het geluk dat een aantal mensen uit onze sessie had afgezegd, waardoor er lekker veel tijd was om te discussiëren. Daardoor was ik, hoewel er relatief weinig publiek was in onze sessie, toch erg tevreden over mijn presentatie (klik hier om die te bekijken).

Achteraf is het altijd moeilijk om aan te geven wat je nu hebt gehad aan zo’n conferentie. Welke contacten waardevol blijken en welke ideeën je echt mee gaat nemen leer je pas achteraf. In ieder geval heb ik vandaag een interessant boek besteld en heb ik weer eens met nieuwe mensen over mijn onderzoek kunnen praten. Dat is wat mij betreft voorlopig voldoende output.

Symposium Doorakkeren

Stadslandbouw is tegenwoordig zo hip dat je bijna elke week (zo niet elke dag) wel een workshop, seminar, conferentie of lezing kunt bijwonen. Als je alles wat er gebeurt wilt bijhouden heb je daar een dagtaak aan. Dat lukt me dus ook niet, maar ik vind het wel heel leuk dat ik met een onderwerp bezig ben dat zo in de belangstelling staat. Ondertussen is stadslandbouw – of eigenlijk het thema voedsel verbouwen in een stedelijke context – echter wel een containerbegrip geworden. Er wordt van alles onder geschaard. Niet alleen betreft het landbouw op allerlei schalen (buurttuinen, landbouw in de stadsrand, voedsel verbouwen op daken, balkontuintjes), er worden ook allerlei thema’s mee geassocieerd. Denk aan gezondheid (obesitas, bewegen, gezond voedsel), sociale cohesie, of het verfraaien van de buurt. En zo lopen de onderwerpen op al die bijeenkomsten over stadslandbouw ook erg uiteen. Van het maken van plannen voor het park in de buurt door de bewoners tot kortere ketens tussen producenten en consumenten, en van het versterken van de sociale cohesie door een buurttuin tot de inrichting van het buitengebied rond de stad. Daar is trouwens niets mis mee denk ik, die onderwerpen hangen allemaal met elkaar samen en de scheidslijnen ertussen zijn dus sowieso al vaag. Ik vind het vooral interessant om te zien dat zoveel onderwerpen onder de noemer stadslandbouw worden geschaard, om te kunnen meeliften op die hype.

De veelheid van onderwerpen rondom lokaal stedelijk voedsel werd ook in de uitnodiging voor het symposium ‘Doorakkeren’ duidelijk: ‘Geïnteresseerd in stadslandbouw, schooltuinen of urban food?’  Drie termen die iets met elkaar te maken hebben, elkaar niet uitsluiten maar ook niet volledig aanvullen, en gedeeltelijk hetzelfde betekenen. Het symposium ging over de tussenresultaten van het NME (Natuur en Milieu Educatie) arrangement ‘Gezond en Groen’. De naam Doorakkeren wil zeggen dat samen met de deelnemers werd bekeken hoe nu verder met dit arrangement. De middag werd ingeleid door een spreekster van het programma Groen Dichterbij, en door mij. Ik heb over een aantal resultaten van mijn onderzoek verteld (klik hier voor de presentatie). Er zat geen duidelijke lijn in, want het leek me leuk om vooral een aantal algemene conclusies en overwegingen te delen. Op die manier kon ik een inkijkje geven over wat buurttuinen kunnen opleveren, en wat niet. Een algemene inleiding, vooral bedoeld ter inspiratie, dat hopelijk paste bij de brede insteek van de dag.

De Amsterdamse Academische Club en groen in de stad

De Amsterdamse Academische Club, een besloten club voor studenten, docenten en alumni van de Universiteit van Amsterdam, organiseert elke donderdagavond een debat.  Hierbij wordt steeds de brug geslagen tussen de academische wereld, de maatschappij en het bedrijfsleven. Gisteravond was het thema ‘Groen in de Stad; zinvol of dromerij?’.

Ik was gevraagd een bijdrage te leveren in de vorm van een korte presentatie. Die ging over de mogelijke positieve effecten van buurttuinen, sociale cohesie en in- en uitsluiting. De presentatie was eigenlijk een verkorte versie van wat ik laatst heb verteld, ook op de Universiteit van Amsterdam. Het was een mooie setting: een monumentaal gebouw met groene leren fauteuils, een barman met gilet en glazen whiskey. Erg chique allemaal. Weer eens wat anders dan een collegezaal :). Het publiek bestond uit een leuke mix oudere en jongere mensen.

Na mij presenteerde Willem Velthoven van Stichting Mediamatic, die kunst- en ontwerpprojecten over maatschappij en nieuwe technologieën organiseert. Deze stichting doet nu ook van alles met voedsel, zoals aquaponics  workshops en de Over Datum Eetclub. De eerste spreker was stadsbioloog Remco Daalder. Hij kon erg boeiend vertellen over de ecologie in de stad en legde ons uit dat Amsterdam in vele opzichten erg hoge natuurwaarden heeft. Er komen bijvoorbeeld veel rugstreeppadden voor, die verder erg zeldzaam zijn. Hij legde ook uit welke planologische ingrepen zijn gedaan om tot deze natuur te komen. Dat heeft te maken met de afsluiting van het IJ, waardoor er een moerasachtig gebied ontstond, het aanleggen van de grachtengordel met bomen langs de grachten, relatief grote privé tuinen en het Amsterdamse bos, en het feit dat veel groen in de stad aan elkaar is gelinkt, als een soort ecologische hoofdstructuur. Erg leuk om te zien hoe iemand zo enthousiast kan zijn over zijn vakgebied en het hele publiek daarin mee kon krijgen.

Presenteren op de UvA

In de derde week van januari werd aan de Universiteit van Amsterdam het sLIM seminar gehouden (sLIM staat voor Stichting Leergang Intensief en Meervoudig Ruimtegebruik). Ieder jaar heeft het seminar een ander thema. Dit keer was het ‘the impacts of food on high density cities’: de impact van voedsel op dichtbevolkte steden. Doel van het seminar is theorie en praktijk op het gebied van ruimtelijke ordening aan elkaar te verbinden, om op verschillende manieren te kijken naar de relatie tussen voedsel en steden. Aan die verschillende zienswijzen werd uiting gegeven door vijf seminar dagen met elk een ander thema, zoals stadslandbouw, beleid rond stedelijk voedsel en ‘local communities and social justice’.

Een paar maanden geleden werd ik uitgenodigd als spreker voor dat laatste thema. Toen ik hoorde welke andere sprekers er kwamen, schrok ik wel een beetje, want de meeste van hen zijn nogal bekend ‘binnen de stadslandbouw’. Ik schaamde me bijna dat ik werd uitgenodigd om tussen die grote namen te staan. Anderzijds leek het me een hele mooie kans om mij en mijn werk te laten zien, dus ik vond dat ik het toch moest doen. Je weet nooit waar het toe leidt. Bovendien was het nog maanden weg dus ik had nog tijd zat om me voor te bereiden.

Afgelopen kerstvakantie heb ik dus maar een aantal vrije ochtenden gebruikt om aan mijn presentatie te werken. Een verschil met de presentaties op conferenties is dat die meestal maar een minuut of tien mogen duren. Nu had ik een half uur tot mijn beschikking. Een belangrijker verschil is dat ik nu niet mijn eigen artikel mocht presenteren, maar een onderwerp kreeg aangereikt. Gelukkig had ik er al wel het een en ander over gelezen. Ik heb er ook voor gekozen het onderwerp toe te passen op één van mijn case studies. Daarmee maakte ik het voor mezelf makkelijker en voor het publiek waarschijnlijk interessanter.

Vrijdag de 18de was het dan zover. Ik was slechts een beetje zenuwachtig (de bekende gezonde spanning) en gelukkig zaten er voor de nodige ondersteuning twee leerstoelgroep-genootjes in de zaal. Ik moest trouwens spreken na Wayne Roberts, de Canadees wie ik een jaar geleden nog eens een hele dag in het oor heb gefluisterd. Van collega’s had ik gehoord dat het publiek – meest master studenten – erg serieus en geïnteresseerd was, maar je kon merken dat het vrijdag was. Of misschien vonden ze het niet zo interessant. Desalniettemin was ik zelf best tevreden; het verhaal liep, af en toe werd er gegrinnikt en mijn gulp stond niet open. Ik ben daarom blij dat ik op de uitnodiging ben ingegaan. Ik vond het voor mezelf nuttig de presentatie in elkaar te zetten en er over na te denken wat ik ging vertellen en hoe, en het was weer eens een mooie kans om te oefenen in het spreken voor een publiek.

Poster-presentatie voor evaluatiecommissie

Vorige week was de zogenaamde ‘mid-term assessment’ van de WASS, de Wageningen School of Social Sciences (dit is de onderzoeksschool waar ik bij aangesloten ben). In zo’n assessment wordt gekeken hoe de onderzoeksschool ervoor staat en of doelen zullen worden gehaald. De assessment gebeurt op basis van een zelfevaluatie.

Eén van de onderdelen van deze evaluatie was het onderzoek van PhD studenten. Van elke leerstoelgroep presenteerden één of twee PhD’s waar ze aan werken. En zo stond ik afgelopen donderdagmiddag in één van de gangen van ons gebouw voor een poster. Ik vond het in eerste instantie een beetje een maffe situatie; door de hele gang stonden jonge onderzoekers in hun nette kleren bij hun posters een beetje ongemakkelijk heen en weer te schuifelen, terwijl de commissie nog in een ander zaaltje zat te vergaderen.

Maar op een gegeven moment opende de deur van het zaaltje en verspreidden de commissieleden zich over de gang en de posters. Ik heb met ongeveer zes commissieleden gesproken – uitgelegd wat mijn onderzoek inhoudt, beargumenteerd hoe ik het heb opgezet en vragen beantwoord. Vanzelfsprekend wist het ene commissielid meer over het onderwerp dan het andere, maar over het algemeen stelden ze niet al te moeilijke vragen dus het was goed te doen. (Behalve dat ik aan het einde van de sessie een vreselijke dorst had van al dat praten 🙂 )

Mijn poster vertelt in het kort waar mijn eerste artikel over gaat. Een mooie samenvatting, dus voor de geïnteresseerden: download hier de poster.