Eindrapport onderzoek Ås

Ik schreef al eerder over de bevindingen van mijn onderzoek naar volkstuinen in Oslo, dat ik deed toen ik deze zomer gestationeerd was bij het Noorse instituut voor Bos en Landschap in Ås. Toen was het eindrapport echter nog niet klaar. Dat is nu wel zo. Het is inmiddels goedgekeurd door het Europese project dat mijn reis en verblijf heeft betaald (COST Action Urban Allotment Gardens in European Cities – TU1201) en op hun site geplaatst. Hier ook maar even een linkje.

Ås – resultaten

Vorige week zat ik nog middenin mijn veldwerk in Ås; nu zit ik alweer op kantoor in Lelystad! De laatste week in Noorwegen was hard werken; ik heb veel interviews gedaan en het eindrapport geschreven, waar ik op het vliegveld de laatste hand aan heb gelegd (goed getimed, al zeg ik het zelf). In dit blog tijd om de voornaamste resultaten ook met jullie te delen.

Er zijn volkstuinders te vinden in alle segmenten van de Oslo’se samenleving. Ze zijn er in hippe buurten – goed opgeleide jonge stellen die met hun kinderen, hun vrienden en een kop koffie genieten van het groen middenin de stad. En ze zijn er in de wijken verder van het centrum, waar mensen wonen die naar Noorwegen zijn gekomen vanuit andere landen, soms gevlucht voor een oorlog, die groente kweken uit hun thuisland en vaak dagelijks op de tuin te vinden zijn.

parsellhager

 De plek van de twee tuinen; de twee rode stippen 

Ondanks hun verschillen hebben deze tuinders veel overeenkomsten. Ze voelen zich bijna allemaal gezonder vanwege de tuin, zowel fysiek als mentaal. Ze wisselen kennis over nieuwe gewassen of teelttechnieken uit en delen hun oogst. Ze maken allemaal geregeld een praatje met andere tuinders, en leren een aantal van hen beter kennen. Het kweken van groenten is voor bijna allemaal een onlosmakelijk onderdeel van de volkstuin-ervaring. Hoewel de mate waarin mensen van hun tuin eten varieert zou voor veel respondenten de volkstuin niet hetzelfde zijn zonder de groenten. Hetzelfde geldt voor de sociale contacten op de tuin. De waarde van deze contacten en de mate waarin tuinders vrienden maken varieert. Maar alle tuinders ontmoeten en praten met anderen, vragen anderen voor hulp en advies, en waarderen het feit dat ze (althans tot op zekere hoogte) onderdeel van een ‘tuin-gemeenschap’ zijn.

Ik vond echter ook een aantal verschillen tussen de tuinders. Er is een groep mensen voor wie de tuin vooral een recreatieve ruimte is; het is als het ware een verlengstuk van hun huis. Ze vieren hun verjaardag in de tuin en nodigen er vrienden uit om een biertje te drinken. De tuin is dus een plek waar mensen leuke dingen doen met de sociale contacten die ze al hebben. Deze groep vindt het wel leuk om andere tuinders te kennen en te groeten, en om hulp te kunnen vragen, maar het is niet erg belangrijk voor hen; slechts een klein aantal anderen wordt als vriend beschouwd. Hetzelfde geldt voor de oogst; respondenten vinden het leuk om groente te verbouwen maar het gaat meer om tuinieren als activiteit dan om de resultaten van die activiteit. Met andere woorden, geteelde groenten zijn ‘een extraatje’ bij de maaltijd.

IMG_2068

Een andere groep tuinders schetst een ander beeld. Ten eerste spelen de groenten een grotere rol in hun dieet; zij eten veel meer van hun volkstuin. Ten tweede is de tuin de plek waar ze hun vrienden – velen van hen ook tuinders – en familie uitnodigen. In dat opzicht is dat vergelijkbaar met de eerste groep. Ze doen dit echter veel vaker; sommige mensen zijn elke dag op de tuin en het grootste deel van hun sociale leven speelt zich er af. In de woorden van één van onze respondenten:

‘Voor veel mensen is dit een fijne plek. Hun alternatief is om alleen thuis te zitten en niets te doen. Sommige mensen komen hier zelfs als het regent, ze gaan hier gewoon zitten en thee drinken.’

IMG_2103

Voor deze groep is de tuin is dus ook een recreatieve plek, maar het belang ervan is veel groter dan voor de eerste groep, net zoals het belang van de groenten voor hen ook groter is. Voor beide groepen lijkt het er op dat de focus van de tuin niet op de groenten ligt, maar op recreatie. Desalniettemin wil ik de waarde van het kweken van je eigen groenten niet onderschatten, want er is bijna iets ‘magisch’ aan, zoals blijkt uit de woorden van een respondent:

‘Ik had mijn eigen broccoli geteeld en de smaak en de kwaliteit waren ongelooflijk. Het was echt een aha-erlebnis. Ik wist dat natuurlijk wel, maar de ervaring was gewoon ongelooflijk.’

Overigens is het niet zo dat de ene groep tuinders alleen op de ene tuin te vinden is en de andere alleen op de andere tuin; beide groepen zijn op beide volkstuinen uit mijn onderzoek vertegenwoordigd, hoewel niet in gelijke mate.

Ås, deel 2

Wat gaat de tijd snel zeg. Ik ben alweer twee weken in Norrwegen; nog maar één week om mijn korte wetenschappelijke missie af te ronden. Gelukkig heb ik in die twee weken al heel wat gedaan. Ten eerste heb ik mijn beide case studies bezocht. Twee volkstuinen, de ene in een gentrificerende wijk niet ver van het centrum van Oslo, de ander in Oslo Oost, waar veel sociale huurwoningen zijn en bijna 50% van de inwoners immigrant is. Bij beide tuinen had ik voor vertrek een online enquête uitgezet, en met hulp van mijn contactpersonen emails gestuurd naar de tuinders.

IMG_2080

In het geval van Geitmyra, de volkstuin nabij het centrum, leidde dat al snel tot 36 respondenten. Ook vond ik via de enquête respondenten voor interviews. Ik heb ondertussen vier tuinders geïnterviewd, en heb nog twee gesprekken gepland staan. Gaat voorspoedig dus!

IMG_2078

Bij de andere tuin, Nedre Stovner, gaat het wat minder makkelijk, al ligt dat niet aan de hulpvaardigheid van de mensen. Veel tuinders hebben geen emailadres dus de online enquête leverde niet zoveel op. Mijn contactpersoon had al wel papieren versies uitgedeeld en toen ik vorige week langskwam kon ik daar een aantal van ophalen (wat een service!), al is het aantal ingevulde enquêtes nog relatief laag. Het invullen is voor sommige mensen best moeilijk, en ze vinden het veel vragen.

IMG_2094

Het is bovendien lastig dat niet iedereen Noors spreekt. Omdat veel mensen ook geen Engels spreken, is het moeilijk respondenten voor de interviews te vinden. Gelukkig heb ik hulp gekregen van informele vertalers, zodat ik samen met mensen enquêtes heb ingevuld, waardoor dat een soort interviews werden. Aankomende week ga ik nog maar eens naar de tuin om meer mensen te proberen te spreken.

IMG_2112Overigens ga ik waarschijnlijk geen vergelijking maken tussen de twee tuinen, maar de antwoorden samenvoegen; Geitmyra kent ook een groep immigranten, maar die lijken niet op de enquête gereageerd te hebben. Ik heb ze ook niet in de interviews gesproken. Dit is nu juist de groep die ik op Nedre Stovner bereik, dus samen kunnen ze wellicht iets vertellen over volkstuinen in Oslo in het algemeen.

Bilder 2014 305

Hoewel de volkstuinen in Oslo vergelijkbaar zijn met die in Nederland zien ze er wel een beetje anders uit. In Nederland zijn de tuintjes vaak afgescheiden met heggen of hekken. In Oslo zijn de plotjes minder duidelijk gescheiden, vaak alleen met een touwtje, of een loopplank. Bovendien zijn de looppaden van gras en zie je veel minder strak aangelegde tuintjes. Het geeft de tuin een weelderige uitstraling. Interessant is ook dat Noorwegen twee soorten volkstuinen kent; parsellhagen en kolonihagen. Het verschil is dat tuinders op parsellhagen geen hutjes of huisjes mogen plaatsen (ze hebben soms wel partytenten), terwijl tuinders dat op kolonihagen wel mogen.

IMAG0828

In de tweede week van mijn tijd hier kwam mijn gezin langs, erg gezellig! Na het werk en in het weekend konden we de toerist uithangen. Overdag vermaakten ze zichzelf. Ook zijn ze een keer mee geweest naar de tuin, toen ik interviews ging doen. Gelukkig bood de tuin voor hen ook wel wat vermaak, kijk maar naar bovenstaande foto 😉

Ås – Wageningen in het klein

Afgelopen zondag ben ik naar Ås afgereisd, een plaatsje op ongeveer een half uur van Oslo. Ik ben hier voor een zogenaamde Short Term Scientific Mission. Dat klinkt erg gewichtig, maar het is eigenlijk gewoon een soort ‘stage’ binnen een Europees uitwisselingsproject (zie mijn eerdere blog over dit project). Ik heb gereageerd op een vraag van iemand van de gemeente Oslo en iemand van het Norwegian Forest and Landscape Institute, die aangaven meer inzicht te willen in volkstuinen in Oslo. Omdat dat precies bij mijn onderzoek past, leek dat me net iets voor mij. Dus nu ben ik hier drie weken om dat uit te voeren. Een mooie kans om mijn buitenlandse netwerk te vergroten en mijn eigen onderzoeksresultaten iets meer in perspectief te zetten.

Ik ben dus gestationeerd in Ås, waar het onderzoeksinstituut is gehuisvest. Ås heeft wel wat weg van Wageningen. Althans, het is ook klein en er zitten een university of life sciences en meerdere onderzoeksinsituten. Vandaag heb ik even op de campus rondgefietst en dat ziet er echt schitterend uit. Het heeft bijna iets Amerikaans, met de grote glooiende grasvelden, en grote roodstenen en witte houten gebouwen (nauwelijks studenten te bekennen trouwens, maar dat kan aan de vakantie liggen). Het is jammer dat ik zo’n slechte fotograaf ben, maar de foto’s geven wel een beetje een indruk.

20140819_133000

20140819_133105

20140819_133026

20140819_133439

Ik zit niet bij de universiteit, maar bij het Noorse onderzoeksinstituut voor bos en landschap. Dat verhoudt zich ongeveer net zo tot de universiteit van Ås als PPO tot Wageningen Universiteit. Zelfs de sfeer is vergelijkbaar. Net als bij ons in Lelystad wordt er ’s ochtends samen koffie gedronken, en waar je in onze kantine je naam op een briefje mag laten schrijven als je geen geld bij je hebt, koop je hier een papieren kaart waar je de bedragen die je uitgeeft zelf op af moet strepen. Verder is iedereen hier ook erg vriendelijk. Ik wordt meegevraagd als ‘mijn sectie’ gaat lunchen en vandaag was er zelfs taart omdat er iemand vijftig werd. Ook kan ik een fiets lenen waarmee ik naar mijn ‘huis’ kan fietsen, dat trouwens heerlijk dichtbij is. Ik voel me al helemaal thuis 🙂

Het onderzoeksinstituut:

20140817_185201

In één van deze gebouwen logeer ik:

20140817_191015

Ås is overigens wel veel kleiner dan Wageningen. Er wonen zo’n 8000 mensen, heb ik me laten vertellen. Het centrum is piepklein, met niet meer dan een paar supermarkten en een handvol winkels. Verder is het hier ontzettend groen, heeft iedereen een tuin en zie je veel van die houten huizen in Scandinavische stijl. En het is heel heel rustig. Als je hier een paar dagen bent lijkt het wel alsof de rest van de wereld niet bestaat. Nergens ligt afval, alles is mooi groen, mensen lopen en fietsen, nergens zwervers, geen geschreeuw of sirenes, je kunt je niet voorstellen dat alles wat er in de kranten staat echt gebeurt, ergens ‘out there’. (Hoewel, als je een beetje into de Scandinavische crimi’s bent, kun je je hier ook van allerlei gruwelijke misdrijven voorstellen.) Maar, ook hier zitten guerilla gardeners:

20140817_185304
Volgende keer meer over wat ik hier aan het doen ben!

Filmpje stadslandbouwreis

Mijn collega Jan Eelco Jansma heeft een informatief filmpje gemaakt van onze stadslandbouwreis naar New York, oktober vorig jaar. Hij is zeker de moeite van het bekijken waard, want het geeft een goede indruk van wat we zoal gezien en gehoord hebben. Klik hier. Mocht je geïnspireerd raken, bij voldoende deelname organiseren we een nieuwe reis in oktober 2013.

Vorige week hadden we een reünie van de reis in Moestuin Maarschalkerweerd, in Utrecht. Tijdens de reis zelf hadden we eigenlijk wat te weinig tijd voor reflectie (je wilt zoveel mogelijk doen als je eenmaal in New York bent), dus dat hebben we nu kunnen inhalen. We hebben met elkaar gesproken over wat we verwachtten toen we vertrokken, maar vooral wat we geleerd hebben. Wat zouden we graag overnemen uit New York (de serieuze manier waarop met burgerinitiatieven wordt omgegaan, de creatieve manier van fondsenwerving, het out-of-the-box denken), en wat is in Nederland toch wel heel anders (hier hebben we geen food deserts zoals daar en niet zulke extreme armoede) en wat hebben we hier ook echt nodig (een bredere visie op voedsel in de stad, breder kijken dan de vraag wat stadslandbouw financieel oplevert)? Maar ook kwamen we tot de conclusie dat we in Nederland toch ook al best wel ver zijn. Een rondleiding over de moestuin leerde ons dat dit initiatief in New York niet had misstaan. (Mocht New York wat te ver voor je zijn, dan weet je waar je je ook kunt laten inspireren).

Stadslandbouwreis – andere blogs

Een heel kort berichtje dit keer. Na mijn vakantie en bijna meteen daarna de trip naar New York, ben ik weer gewoon aan het werk. Ik heb veel in te halen, en heb een aantal projecten die voor het einde van het jaar klaar moeten zijn nieuw leven ingeblazen.

Ondertussen denk ik natuurlijk nog vaak met plezier terug aan New York. Net als een aantal anderen die mee op reis waren weet ik nog niet precies wat we nu praktisch kunnen met alles wat we gezien en geleerd hebben, maar wie weet komt dat nog. Feit is dat we heel veel kennis en inzichten hebben opgedaan, en die komen vast van pas, ik weet alleen nog niet wanneer en hoe.

Ik ben niet de enige die blogs heeft geschreven over de reis. Hier een kort overzicht van wat anderen hebben geschreven:

En een overzicht van mijn eigen blog over de stadslandbouwreis:

Stadslandbouwreis – dag 5

De enige regenachtige dag van deze reis was meteen ook de laatste. Vandaag hadden we een keuzeprogramma, en deelde de groep zichzelf in tweeën. De ene helft ging naar het Queens Qounty Farms Museum. Ik was daar niet bij, maar heb positieve geluiden gehoord. De andere helft bezocht de High Line, een 800 meter lang park gebouwd op oude treinrails. De groene onderdelen zijn door de Nederlander Piet Oudolf ontworpen. Niet echt stadslandbouw misschien – behalve wat bessenstruiken heb ik niets eetbaars gezien – maar zeker de moeite van een bezoek waard als groen in de stad je interesse heeft. Bovendien is het interessant dat de investering in dit park zich terug heeft betaald in de vorm van hogere onroerend goed prijzen. Op sommige plekken in het park kon je de oude spoorlijn nog zien liggen, op andere was die wat meer weggewerkt. Sowieso was het park erg gevarieerd; soms liep je door een half bos, dan weer langs riet en gras, dan weer vond je grote houten trappen om op te zitten. De High Line is bovendien een erg mooie plek om de stad te bekijken; hoewel je er eigenlijk middenin zit, zweef je er ook een beetje boven.

Het park kwam uit bij de Chelsea Market, een oude overdekte hal met daarin allerlei winkeltjes en plekken om te eten. Het was er ontzettend druk, maar toch vonden de meesten van ons een gezellige plek om een broodje te eten of nog wat laatste inkopen te doen voor we in de bus naar het vliegveld stapten.

En zo vliegen vijf dagen voorbij. Ik vond het een erg mooie en inspirerende reis, waarin ik veel verschillende vormen van stadslandbouw heb gezien. Wat me is opgevallen is de diversiteit in initiatieven, van daktuin tot duurzaam gebouw en van buurttuin tot boerenmarkt. Tegelijkertijd waren er ook veel overeenkomsten. Het gebruik van betaalde stagiairs (de zogenaamde apprentices) en veel vrijwilligers, de aandacht voor educatie en het opleiden van jonge boeren, de verkoop via CSA’s, restaurants en boerenmarkten, en de grote afhankelijkheid van private fondsen. Vooral dat laatste is een groot verschil met Nederland, waar we vaak meer van de overheid en minder van particulieren afhankelijk zijn.

Als deelnemers aan de reis hebben we ook met elkaar besproken wat ons is bijgebleven. Een korte impressie:

  • De crisis in de jaren ‘70 en ’80, die stadslandbouw op een bepaalde manier mogelijk heeft gemaakt of er in elk geval een aanleiding voor is geweest
  • Hoe stadslandbouw daarmee eigenlijk noodzaak was, en dat het verbouwen van voedsel dat voor veel mensen nog steeds is
  • Het belang van fundraising (en hoe sommige partijen daar veel succesvoller in zijn dan andere)
  • De passie, het enthousiasme en de durf van de betrokkenen
  • Het feit dat zoveel mensen gewoon zelf het heft in eigen hand nemen
  • De ruimtelijke ordening die los genoeg is om dit mogelijk te maken, maar ook streng genoeg om de tuinen te laten voortbestaan
  • Het feit dat alle tuinen met dezelfde dingen worstelen, zoals distributie – hoe krijg ik voedsel op de plek van bestemming?
  • Dat we in Nederland toch eigenlijk al best wel ver zijn
  • En, voor mijn onderzoek misschien het belangrijkste, de verbindende waarde van voedsel – hoe het mensen samenbrengt – en het belang van het bezig zijn met de aarde. Zowel yuppen in Manhattan als extreem arme mensen in the Bronx komen bij hetzelfde uit; voedsel verbouwen.

Tenslotte, gezellig was het ook. Met de aanwezige diversiteit – mensen van de overheid, uit het bedrijfsleven, van woningbouwcorporaties, uit het onderwijs en het onderzoek, etc. – vormden we een levendige groep. We hebben gediscussieerd over de voor- en nadelen, de knelpunten en de succesfactoren van stadslandbouw, de verschillen tussen Amerika en Nederland en hoe nu verder. Gelachen hebben we ook, nog wel het meest om onze running gag, het ontbijt waar Guido (onze fantastische reisleider van Tripworks) iedere ochtend weer zo zijn best voor deed en waardoor hij (bij wijze van spreken) in een handgemeen met de hotelmanager belandde. Thuis maar weer aan de Brinta.

 

Stadslandbouwreis – dag 4

Na een dag op het platteland van de staat New York was het weer tijd om de landbouw in de stad te verkennen. We begonnen bij Battery urban farm, waar we spraken met Camilla Hammer en twee van haar collega’s. De tuin ligt in het Battery park, helemaal in het zuiden van Manhattan, vanwaar je het Vrijheidsbeeld kunt zien. En daar, tussen de hoge gebouwen, de toeristen en de forensen, ligt een stadstuin. Het is bijna een beetje onwerkelijk. De tuin bestaat uit twee delen; een community deel en een educatie deel. Elf scholen zijn aan de tuin verbonden. Ze krijgen er lessen – niet alleen over tuinieren maar ook over geschiedenis bijvoorbeeld, met behulp van de Nederlandse en de Native American voorbeeldtuinen – en doen mee met het Garden to Cafe programma (onderdeel van het School Food programma), waarbij groente uit de tuin in de scholen wordt gegeten. De verbouwde groenten worden verkocht via een CSA programma (dat klinkt ondertussen bekend) maar ook op een eigen boerenmarkt. Om daar geen vergunning voor nodig te hebben, zijn er alleen ‘suggested’ prijzen. Daarnaast wordt aan drie restaurants in de buurt verkocht. De community tuin wordt volgend jaar afgebouwd; de tuinders blijken toch niet zo toegewijd als gedacht. Toch werkt de tuin met honderden vrijwilligers, en ook weer met stagiairs. De tuin wordt ondersteund door private fondsen, en het park waarin ze gelegen is.

We vervolgden onze weg naar Union Square. Hier spraken we met Marcel van Ooyen, de directeur van GrowNYC. Zoals zoveel mensen die we gesproken hebben vertelde hij over de slechte staat waarin New York een paar decennia geleden verkeerde, en de mogelijkheden die dat stadslandbouw bood (of eigenlijk; hoe stadslandbouw werd gebruikt om de ontstane problemen het hoofd te bieden). GrowNYC is een not-for-profit organisatie die meerdere programma’s runt; schooltuinen, recycling, community tuinen en de boerenmarkten. De markt op Union Square is de grootste. Er staan tachtig boeren die vier dagen per week producten verkopen die lokaal (in een straal van 200 mijl) zijn geproduceerd op een boerderij of gemaakt van boerderijproducten. De regels van de markt zijn erg streng en de boerderijen worden regelmatig gecheckt; niet elke boer kan zomaar komen staan. Het zijn niet alleen yuppen die hier komen shoppen; op de markt worden ook foodstamps (een soort voedselbonnen) geaccepteerd. De markt heeft een grote invloed op het gebied rond Union Square. Het gebied is veel levendiger geworden, de lokale ondernemers krijgen meer klandizie, en er wordt geen drugs meer gedeald. Het activeren van de ruimte, zoals Marcel dat zo mooi zei, zorgt daarmee voor minder criminaliteit. Wat het is dat mensen naar deze markt trekt, is volgens hem het onder elkaar zijn, het praten met boeren en andere klanten, de kleuren en de geuren. Wellicht gaat het dus niet in eerste instantie om het voedsel, alswel om de sfeer en de energie. En die waren er inderdaad. Na Marcel’s presentatie nam hij ons mee over de markt. Het was er gezellig en druk, en er werd van alles verkocht, van zwarte aardappelen tot vers sap en rooftop honing.

Onze volgende stop was een flink end met de metro, helemaal naar the Bronx, waar we La Familia Verde bezochten. Dit is een samenwerking tussen vijf buurttuinen, waarvan we er vier bezochten. Karen Washington leidde ons in rap tempo door de wijk, die één van de armste van Amerika is. De reden dat de tuinen een coöperatie vormen is dat ze op die manier sterker stonden toen er geprotesteerd moest worden tegen het beleid van toenmalig burgemeester Giuliani, die veel tuinen wilde afschaffen. De tuinen vallen bijna allemaal binnen een ander programma; de ene valt onder het Green Thumps programma, de ander is indertijd door de buurt zelf opgekocht, een derde valt onder het restoration programma of het parks department. Zelf is Karen betrokken bij de garden of Happiness. Deze ligt tegenover haar huis; ze is de tuin samen met buurtbewoners begonnen omdat het stuk land leeg was en werd gebruikt als vuilnisbelt. De bewoners wilden zo ‘environmental racism’ aanpakken; het gevoel dat als je naast een vuilnisbelt woont, je zelf ook wel vuilnis zult zijn. Een tuin moest de ruimte opknappen. De andere tuinen hebben soortgelijke verhalen. De meeste hebben een aantal leden, die elk een eigen stukje grond bewerken. De tuiniers betalen zo’n $30 per jaar huur voor dat eigen plotje. Vaak is er ook een gezamenlijk stukje tuin; de groenten die daarop worden verbouwd worden wekelijks op de boerenmarkt verkocht die het verbond van tuinen zelf heeft opgestart en waarop ook nog vier boeren van buiten de stad staan. Het geld dat dat oplevert wordt gebruikt voor het huren van de dixies die op elke tuin staan. Hier dus geen private fondsen of stagiairs. De tuinen hebben dan ook geen educatie programma’s; het zijn stukken land waarop de buurtbewoners samen kunnen komen, kunnen barbecueën, lekker kunnen zitten en in de buitenlucht kunnen werken. Ook worden activiteiten voor de buurt georganiseerd, zoals een jaarlijkse etentje en verschillende workshops. Wat me trof is dat deze tuinen qua uiterlijk veel lijken op de eerdere projecten die we bezochten, maar qua funding en publiek toch heel anders in elkaar zitten; geen hippe educatie-tuinen, maar plekken waarmee de buurt is opgeknapt en waar men samen kan komen voor het verbouwen van groenten die de tuinders ‘van thuis’ nog kennen maar die in de wijk weinig te krijgen zijn.

We besloten het programma bij Via Verde, waar we werden rondgeleid door Lars Chellberg van GrowNYC, die, hoewel hij herhaaldelijk aangaf niet alle details te weten, ons toch het een en ander kon vertellen over dit bijzondere gebouw. Via Verde is een duurzaam gebouwd appartementencomplex met een daktuin en zonnepanelen en waar regenwater wordt opgevangen. Het bestaat uit zowel huurhuizen als koophuizen. De groentetuin lag er erg mooi bij. Het werd niet helemaal duidelijk wie er in de tuin mag/kan werken, maar het lijkt erop dat de tuin alleen beschikbaar is voor de mensen met een koop-appartement, en dat de groenten vervolgens verdeeld worden. Deze zomer is er al 800 pond geoogst.

Stadslandbouwreis – dag 3

Onze derde dag begon lui; nu eens niet in een lange stoet achter Guido’s rode petje aan naar de metro, maar in onze eigen privé bus. We reden de stad uit, naar de Hudson Valley. Het was een zonnige dag en de omgeving fantastisch, met gele en rode bomen en glinsterende meertjes. Wel even iets anders dan Brooklyn, waar we gisteren waren.

We bezochten het Glynwood Institute for Sustainable Food and Farming. Hier kregen we eerst een rondleiding over de boerderij, door Donald Arrant. Hij vertelde dat ook deze boerderij met een CSA systeem werkt; er zijn ongeveer 100 klanten. Daarnaast wordt aan restaurants verkocht, en aan mensen die toevallig langskomen. In de toekomst zou Donald op een boerenmarkt willen staan, maar het is moeilijk toegang te krijgen tot de markten in New York. Er wordt wel groente verbouwd, maar het gaat op dit bedrijf vooral om dieren; er zijn koeien, schapen, geiten, varkens, kippen en kalkoenen. De kippen en kalkoenen worden op de boerderij zelf geslacht en verwerkt. Er wordt veel in kringlopen gedacht; de kippen lopen bijvoorbeeld op de wei om stikstof en fosfor terug in de grond te krijgen. Net als in de tuinen gisteren, werkt ook dit bedrijf met stagiairs. Dat is ook nodig, want het bedrijf is erg arbeidsintensief. De lokale bevolking wordt betrokken door middel van verschillende activiteiten, zoals oogstfeesten.

Na de rondleiding was er een aantal presentaties. Kathleen Fritts, de president van Glynwood, vertelde over haar missie; agrarisch land in productie houden, en  regionale voedselsystemen van waarde te laten zijn voor gezondheid, het milieu en de gemeenschap. Ze doet dat door middel van verschillende projecten, die zich richten op de maatschappij, de lokale gemeenschap, en boeren. Zo is er een campagne om voedselverspilling tegen te gaan, wordt er met scholen en ziekenhuizen gewerkt, en worden boeren geholpen met het marketen van een nieuw product (appelcider). Vervolgens sprak Judith LaBelle, de voormalige president. Zij vertelde over de landbouw in de Hudson Valley, en de uitdagingen waar die voor staat. De verbinding tussen stad en platteland moet volgens haar versterken, en het regionale voedselsysteem opnieuw opgebouwd worden om de twee kanten dichter bij elkaar te brengen. Het is belangrijk boeren in business te laten houden, want als ze stoppen wordt het land niet onderhouden. De laatste jaren zijn veel boeren gestopt met hun bedrijf, maar tegelijkertijd groeit het aantal kleine bedrijven, en zijn er steeds meer jonge mensen die boer willen worden. De problemen die boeren hebben zijn overigens vergelijkbaar met die van Nederlandse boeren; hoge grondprijzen, veel oudere boeren, en veel boeren die buitenshuis moeten werken om het hoofd boven water te houden. Tally Blumberg, de senior vice president van het Open Space Institute, was daarna aan de beurt. Het Open Space Institute heeft als doel grond beschikbaar te houden voor landbouw, natuur, recreatie en erfgoed. Ze doet dat onder andere door land van stoppende boeren op te kopen en aan andere boeren door te verkopen. Soms moeten daarvoor nieuwe financiële constructies in het leven worden geroepen. Virginia Kasinki, de directeur van het programma Keep Farming, was de laatste vrouw om te spreken. Het programma verbindt gemeenschappen, boeren en voedsel. De gemeenschap wordt gevraagd na te denken over de waarde van landbouw in het gebied en hoe dat in stand te houden. Op die manier ontstaat een waardevolle achterban voor de boeren.

Na een heerlijke lunch reden we weer wat dichter naar de stad, naar het Stone Barns Center for Food and Agriculture, waar we een rondleiding kregen van Jack Algiere. Dit is een groot multifunctioneel non-profit bedrijf, dat op verschillende manieren de gemeenschap bij het bedrijf probeert te betrekken en het idee van duurzame landbouw wil promoten. Het bedrijf richt zich enerzijds op de maatschappij als geheel, anderzijds specifiek op kinderen en studenten. Ook hier wordt weer gebruik gemaakt van stagiairs die op het bedrijf worden opgeleid en daar ook een vergoeding voor krijgen. Een groot deel van deze stagiairs is vrouw, waarvan Jack grappend zei dat ze geschikter zijn om op zo’n gediversificeerd bedrijf te werken. Op het bedrijf zijn een restaurant (die door andere eigenaren wordt uitgebaat en winst maakt), een winkel, een cafe en een training centrum. Groente wordt rechtstreeks van het bedrijf verkocht en in het restaurant gebruikt. Er worden vooral veel dieren gehouden, omdat het landschap en de grond zich daar goed voor lenen.

Al met al een dag waarin we twee erg mooie bedrijven op mooie locaties hebben gezien. De zon zal daarin ook hebben meegespeeld. En hoewel deze bedrijven natuurlijk erg anders waren dan die in de stad, met andere uitdagingen en succesfactoren, lijken ze in doelstellingen en ook in uitvoering ook erg op elkaar. Het gebruik van stagiairs, directe verkoop, en het ideaal om anders met landbouw en voedsel om te gaan.

 

 

Stadslandbouwreis – dag 2

Op de tweede dag van de stadslandbouwreis begonnen we met twee presentaties. De eerste was van Edie Stone, de Executive Director van Green Thumbs. Een korte samenvatting:

  • Green Thumbs is het programma van de stad New York waarmee buurttuinen worden ondersteund. Het programma begon met het geven van vergunningen aan mensen die een stuk grond wilden gebruiken voor een buurttuin. In de tijd dat het programma werd opgestart – de jaren ’70 – ging het financieel erg slecht in New York. Veel land werd verlaten, huizen werden in brand gestoken voor het verzekeringsgeld en huiseigenaren stopten met het betalen van belastingen. Zo kwam veel land in handen van de stad, die het in deze moeilijke tijden handig vond als buurtbewoners een stuk grond wilden onderhouden door er een tuin te beginnen.
  • In de wet is opgenomen dat de tuinen tuin blijven zolang ze worden gebruikt. Onder bepaalde omstandigheden kan de stad het land wel weer in gebruik nemen, maar dat heeft zoveel voeten in de aarde dat het in de praktijk weinig gebeurt.
  • De tuinen bevinden zich vooral in gebieden waar weinig parken zijn, meestal de wijken waar mensen met lagere inkomens wonen. De tuinen moeten tenminste twintig uur per week open zijn voor publiek en vervullen dus een openbare functie.
  • Tegenwoordig doet Green Thumbs meer dan alleen het verlenen van vergunningen, zoals het aanbieden van grond en zaden en het geven van technisch advies. Ook worden workshops en andere sociale events georganiseerd.

De tweede presentatie van deze ochtend was van Stephen O’Brien en Jordan Brackett van het School Food programma in New York. Wederom een samenvatting:

  • Per jaar worden 39 miljoen ontbijten en 117 miljoen lunches verzorgd voor kinderen van 1700 scholen in de stad.
  • Het ontbijt is gratis voor alle leerlingen. De lunch kost $1.50; 80% van de leerlingen komt in aanmerking voor een gratis maaltijd, of krijgt korting.
  • Het programma wordt betaald door de federale overheid. Voor elke uitgedeelde maaltijd krijgt het programma $2.95. Daarvan wordt ongeveer $1.00 aan voedsel besteed.
  • In de maaltijden worden geen kunstmatige smaak- en kleurstoffen gebruikt. Veel voedsel is (gedeeltelijk) verwerkt; kip is bijvoorbeeld al klaargemaakt voor het op de scholen aankomt en hoeft dan alleen nog opgewarmd te worden. De meeste scholen hebben sinds kort een salade-bar.
  • Het School Food programma runt ook het Garden to Cafe project: groenten die in de schooltuin worden verbouwd worden gebruikt in de maaltijd (in kleine hoeveelheden) zodat de kinderen kunnen zien hoe voedsel groeit en kan worden gebruikt.
  • In het School Food programma gaat $140 miljoen per jaar om. Tegenwoordig gaat $2 miljoen daarvan naar lokaal voedsel.

Dit School Food programma is dus ontzettend groot; alleen het leger verzorgt meer maaltijden. Hoewel ik het op het gebied van duurzaamheid en gezondheid nog niet erg innovatief vind, is het wel duidelijk dat er wordt nagedacht over hoe het voedsel duurzamer en gezonder te maken (maar hoeveel kun je voor $1.00 per maaltijd?).

In de middag bezochten we twee buurttuinen met veel overeenkomsten; Added Value Red Hook en East New York Farms. Beide tuinen liggen in de mindere wijken van New York; relatief afgelegen wijken waar veel mensen uit zijn vertrokken en waar zij met weinig geld zijn achtergebleven of juist gaan wonen. In de tuinen wordt landbouw gezien als een manier om (jonge) mensen na te laten denken over henzelf en hun buurt, en hen betere kansen te geven. Er wordt gewerkt met stagiairs in ‘food and farm based learning programmes’; de stagiairs krijgen hiervoor betaald en leren bovendien een vak. Ook wordt er met grote groepen (honderden!) vrijwilligers gewerkt. Beide projecten werken met een CSA systeem (Community Supported Agriculture). Daarnaast verkoopt Added Value aan lokale restaurants en verkoopt East New York Farms op een boerenmarkt die ze zelf heeft geïnitieerd. Ondanks dat er inkomsten zijn van het verkopen van de groenten, zijn beide projecten afhankelijk van subsidies en vooral private fondsen; toch bestaan ze allebei al ongeveer tien jaar. Voedsel is in deze tuinen dus een manier om mensen bij elkaar te brengen, te trainen / op te leiden / zelfvertrouwen te geven, buiten te laten werken, en met een gezonde maaltijd als gevolg. Iets positiefs waar de wijk aan mee kan doen.

Tijdens het wandelen van en naar de twee tuinen konden we met eigen ogen hoeveel tuinen er in dit soort wijken zijn. Elke zoveel blokken zagen we wel een tuin (inclusief Green Thumbs bordje), soms nog vaker, of zelfs twee naast elkaar. Het was sowieso al een hele belevenis om door deze wijken te lopen; als blanke stoet vielen we erg op 🙂

P.S. Voor alle deelnemers aan de reis; als je aanvullingen hebt of vindt dat ik iets niet goed heb verwoord, laat dan even een reactie achter.

P.S.2 Ook Jan Vanoppen blogt over deze reis: klik hier.