Dynamiek in participatief ontwerpen

Eerder schreef ik al eens over ons Wetenschapswinkelproject Sint Martens Hof. Sint Martens Hof renoveert in collectief particulier opdrachtgeverschap twintig stadshuizen. De woningen zijn particulier eigendom en hebben naast een kleine eigen tuin samen één gemeenschappelijke binnentuin. In een participatief proces hebben we met bewoners deze gemeenschappelijke binnentuin ontworpen.

Het ontwerp voor de tuin moest aan een aantal praktische randvoorwaarden voldoen; onder andere plaats voor zestig fietsen, het opvangen van hemelwater, en zichtbare overgangen tussen gebieden met verschillende soorten eigenaarschap. Studenten Biologie en Waterbeheer hebben informatie verzameld die hielp om het functioneren van de tuin te optimaliseren. Studenten Landschapsarchitectuur hebben workshops met bewoners georganiseerd. Aan de hand daarvan hebben bewoners hun belangrijkste wensen kenbaar gemaakt en kon een syntheseontwerp worden gemaakt.

Dit ontwerp was vorig jaar zomer al klaar, maar als projectleiders hebben we ook een eindrapport geschreven met daarin de lessen die we geleerd hebben van het proces zelf. We analyseren bijvoorbeeld de rol van de experts in het proces, de rol van de studenten, de rol van de ingebrachte kennis, en het al dan niet verdwijnen van bepaalde wensen.

Onze conclusies zijn dat het in een participatief ontwerp belangrijk is dat alle betrokkenen deel uitmaken van het ontwerpproces. Zo hebben de workshops aangevuld met interviews met bewoners goed gewerkt. Ook vonden we dat een betrokken houding van externe partijen zoals de gemeente essentieel is, evenals de in dit geval inspirerende inbreng van de studenten, en het enthousiasme van de bewoners zelf. We hebben ook gevonden dat sommige wensen van bewoners tijdens het ontwerpproces zijn afgezwakt, terwijl andere zijn gehandhaafd. De sessies met bewoners hebben een prioritering in het programma van eisen mogelijk gemaakt en ook duidelijk gemaakt dat er überhaupt keuzes gemaakt moesten worden. De experts zorgden er voor dat er onderbouwde keuzes konden worden gemaakt, en drukten zo ook hun stempel op het eindontwerp.

Het Wetenschapswinkelrapport met als titel  Dynamiek in participatief ontwerpen; Samen met bewoners van de Sint Martens Hof in Arnhem een gemeenschappelijke tuin ontwerpen is eind maart aan een Arnhemse wethouder aangeboden, tijdens een feestelijke bijeenkomst in de gemeenschappelijke binnentuin.

Advertenties

Omzet en impact multifunctionele landbouw

Vorige week is de ‘omzet en impactmeting multifunctionele landbouw’ aangeboden aan de Staatssecretaris van Landbouw. Deze meting is de vierde in een reeks waarin we de stand van zaken van de multifunctionele landbouw bekijken; wat is de omzet van de sector en wat betekent ze voor de maatschappij? Ik ben sinds de tweede meting bij dit onderzoek betrokken en ben verantwoordelijk voor het meten van de impact van de multifunctionele landbouw.

Terwijl de methoden van de omzetmeting elk jaar zoveel mogelijk gelijk zijn, om de getallen van de verschillende metingen goed te kunnen vergelijken, doen we bij de impactmeting vaak juist iets anders om het beeld dat we hebben completer te maken. Deze keer hebben we gekeken wat de multifunctionele landbouw betekent voor een specifieke regio, in dit geval de regio’s rond Lopik en Woerden. Een interessante en onverwachte bevinding is dat de multifunctionele landbouw vooral veel lijkt te betekenen voor de lokale bewoners. We verwachtten dat ze vooral voor stedelingen, in dit geval bijvoorbeeld Utrechters, een belangrijke rol vervullen als plek waar ze tot rust kunnen komen, lokale producten kopen, en het platteland kunnen ‘beleven’. En hoewel dat natuurlijk ook gebeurt, zagen we vooral dat het voorzieningenniveau stijgt, lokale mensen soms werk vinden op multifunctionele bedrijven, ze ruimtes huren voor de lokale toneelvereniging, en voor hun feesten naar de lokale recreatieboerderij gaan.

Overigens bleek uit de omzetmeting dat de omzet in de multifunctionele landbouw in Nederland (12.800 bedrijven) tussen 2011 en 2013 met €14 miljoen is toegenomen tot €491 miljoen. De grootste sector is recreatie, educatie is de kleinste. Zie ook dit bericht op de site van Wageningen UR.

Hier vind je de brochure van de omzet- en impactmeting. En hier het achtergrondrapport van de impactmeting. Er stond ook een stukje in de Nieuwe Oogst.

Nieuwe brochure zorglandbouw

Behandeling is een interessante richting voor zorgboeren die meer willen bieden dan dagbesteding. Diverse pioniers zijn er al mee gestart, waarmee ze voorzien in een behoefte van zowel cliënten als hun familie. Behandeling kan een interessant perspectief bieden; niet alleen financieel, maar ook omdat het een andere, professionelere uitstraling heeft dan dagbesteding. Er komt echter veel kijken bij behandeling; het is daardoor niet voor elk bedrijf geschikt.

Vanuit ons project ‘Zorglandbouw’  hebben een aantal van mijn collega’s daarom de brochure ‘Behandeling een kans voor de zorgboer’  ontwikkeld. Deze brochure bevat informatie over alle mogelijke aspecten met betrekking tot behandeling, zoals uitleg over welke doelgroepen geschikt zijn, hoe behandeling op zorgboerderijen eruit kan zien, welke meerwaarde behandeling op zorgboerderijen heeft, en hoe een ondernemer cliënten kan vinden. Ter illustratie en inspiratie vertelt een aantal zorgboeren hoe ze behandeling op hun zorgboerderij hebben vormgegeven. Bovendien zijn de mooie foto’s alleen al een kijkje waard.

Je kunt de brochure hier downloaden.

 

 

Stedennetwerk stadslandbouw als community of practice

Sinds 2010 linkt het stedennetwerk stadslandbouw ambtenaren van veertien Nederlandse steden. Ze komen bij elkaar om kennis te delen, problemen op te lossen en gezamenlijk kansen te grijpen. Toen het netwerk van start ging was het vooral intern georiënteerd; het ging om het leren van elkaar en het uitwisselen van ervaringen . Maar ondertussen is het geëvalueerd tot een meer naar buiten gerichte ‘Community of Practice’ – het netwerk verwelkomt niet meer alleen ambtenaren maar ook deelnemers die zelf een stadslandbouwinitiatief hebben of bij andersoortige organisaties werken. Zij kunnen leren van de ervaringen van steden die al langer betrokken zijn.

De deelnemers hebben samen een agenda stadslandbouw opgesteld, met als doel lokaal en nationaal beleid te beïnvloeden. De agenda stelt dat er vier belangrijke uitdagingen zijn om stadslandbouw verder te brengen; experimenteerruimte creëren, steun bieden aan regionale voedselketens, het faciliteren van een kwaliteitsverbetering en het verbinden van lokale initiatieven. 25 steden hebben de agenda ondertekend. Dit laat zien dat lokale overheden steeds meer de waarde van stadslandbouw gaan inzien.

Doordat ambtenaren aangesloten bij het stedennetwerk onderdeel zijn van een netwerk, legitimeren ze hun betrokkenheid bij stadslandbouw. De agenda stadslandbouw – waardoor een gezamenlijke ‘taal’ is ontstaan – versterkt deze legitimatie. Lees meer hierover in dit artikel.

Optimisme over stadslandbouw

Afgelopen voorjaar hebben collega’s en ik een online enquête uitgezet onder mensen die betrokken zijn bij stadslandbouw. 102 mensen die zich op verschillende manieren en in verschillende regio’s met stadslandbouw bezighouden, hebben onze enquête ingevuld. Doel van het onderzoek was te onderzoeken hoe betrokkenen aankijken tegen stadslandbouw. Hoe staat het ervoor? Wat is de volgende stap? En wie moet die zetten?

We vroegen respondenten welk cijfer ze de huidige stadslandbouw geven; hoe vinden ze dat de stadslandbouw ervoor staat? De antwoorden laten een piek zien bij het cijfer zes, net iets meer dan de helft van de respondenten geeft een voldoende. Door een groot aantal erg lage cijfers is het gemiddelde van de cijfers toch net onvoldoende (5,2).

cijfer

We hebben respondenten ook gevraagd hoe ze de toekomst van de stadslandouw zien; veel van hen zijn daar positiever over. Het gemiddelde cijfer ligt nu bij een 7,6 met een piek bij het cijfer acht (en, toegegeven, ook een piekje bij vijf). Meer dan de helft van de respondenten geeft een acht of hoger. Respondenten zijn dus over het algemeen positief over de toekomst van stadslandbouw.

cijfer2Respondenten gaven aan dat om die acht waar te maken er vooral minder regels zouden moeten zijn, dat het (beter) mogelijk moet zijn een inkomen uit stadslandbouw te halen, en dat er meer bekendheid moet zijn voor stadslandbouw en haar bijdrage aan de maatschappij – vooral door het inzetten van boegbeelden. Ze vinden dat de overheid verschillende partijen moet verbinden en dat burgers en ondernemers in actie moeten komen om op die manier stadslandbouw’s beloftes waar te maken.

Er is nog meer te zeggen over onze enquete, maar dat kun je allemaal lezen in onze korte factsheet, die je hier kunt downloaden.

Stadslandbouw en woningbouw

Voor woningbouwverenigingen kan stadslandbouw, voornamelijk in de vorm van buurttuinen, interessant zijn. Buurttuinen zijn een mooie manier om wijkbewoners betrokken te houden bij de wijk – zowel bij hoe de wijk er uit ziet als bij andere bewoners. Sommige woningbouwverenigingen initiëren zelf buurttuinen, anderen staan het gebruik van hun grond toe. Op de website van Aedes, de vereniging van woningbouwcorporaties, staat een leuk stuk over woningbouwvereniging Vestia die een project met 35 tuintjes heeft gestart in Schiebroek-Zuid. Het artikel linkt ook naar een blog met inzichten over dit project. Mét leuke foto’s.

Stappenplan voor buurtmoestuin

De Kenniskring Buurtmoestuinen is een netwerk van mensen die in Almere een buurttuin willen oprichten – of dat gedaan hebben. De deelnemers bespreken moeilijkheden met elkaar en pakken samen vragen op. Op die manier helpen ze elkaar hun idee te verwezenlijken. Maar er blijven altijd vragen. Een buurtmoestuin oprichten heeft namelijk best wat voeten in de aarde (figuurlijk bedoeld); denk aan toestemming krijgen voor het gebruik van de grond, het meekrijgen van buurtgenoten en het maken van een teeltplan.

De kenniskring heeft de Wageningse Wetenschapswinkel daarom gevraagd om een stappenplan. De wetenschapswinkel heeft deze vraag opgepakt; samen met een collega heb ik het plan van aanpak voor het project geschreven. Het is nu voortvarend van start gegaan met een groep studenten die voor het vak Academic Master Cluster zo’n stappenplan hebben gemaakt. Ze hebben dit erg goed gedaan! Er is aandacht voor drie gebieden; het initiatief zelf (het idee uitwerken, een locatie vinden, de bodem, het ontwerpen van het teeltplan), het mobiliseren van de buurt (draagvlak creeren, afspraken maken) en communicatie met de omgeving (vooral de gemeente). Het stappenplan is specifiek gericht op Almere, maar is voor initiatiefnemers in andere steden ook zeker interessant. Download het hier (het is nogal een groot bestand, een kleinere versie zonder de voorkant vind je hier). De studenten hebben ook een academische verantwoording erbij geschreven.

Stappenplan

De vraag van de Kenniskring bestond uit nog enkele onderdelen, dus daar gaan we nu mee verder. Maar het is erg leuk om een project zo in vliegende vaart te kunnen beginnen.

Evaluatie Wur council

Vandaag heb ik mijn laatste Wur council vergadering bijgewoond. Er staat nog één vergadering gepland, een overleg met de Raad van Bestuur, maar dan ben ik op vakantie.

Tijdens deze laatste interne Wur council vergadering hebben we kort ons functioneren geëvalueerd. De Wur council is namelijk een relatief nieuw orgaan; het gaat nu één termijn mee. De meeste leden vonden dat de vergaderingen in de loop van de tijd gestructureerder en efficiënter zijn geworden en dat de integratie van de verschillende medezeggenschapsorganen (waaruit de Wur council bestaat) relatief goed werkt. Een punt van aandacht blijft de taal. Sommige onderwerpen bespreken we in het Engels, andere in het Nederlands. Dat heeft te maken met welk orgaan het onderwerp officieel moet bespreken, hoewel er regelmatig tijdens een discussie van de ene naar de andere taal wordt geswitcht. We hebben twee simultaanvertalers, maar het blijft voor de internationale leden moeilijk om de discussie te volgen en helemaal om mee te discussiëren. Dat pleit er voor om de vergaderingen in het Engels te houden. Anderzijds is dat voor andere (potentiële) leden van de medezeggenschap weer een te hoge drempel. En dat begrijp ik ook wel weer. Niet voor niets is dit blog in het Nederlands; ik wil dat het voor mijn respondenten makkelijk te volgen is.

Een ander punt dat wel vaker terug komt bij bespreken over ons functioneren is de getrapte manier van werken. De meeste onderwerpen worden in commissies voorbesproken. Want 25 mensen aan tafel leidt tot lange vergaderingen – of juist tot het snel overslaan van punten. Persoonlijk denk ik dat we nog meer met commissies moeten werken. Ik denk dat onderwerpen in commissies gedegener worden besproken omdat een kleinere groep gestroomlijnder kan discussiëren en omdat kleinere punten dan eerder ter tafel komen. Tegelijkertijd kun je de onderwerpen dan beter verdelen – en als je minder stukken hoeft te lezen kun je ze gedetailleerder bekijken. Als we minder tijd besteden in de vergaderingen met de Raad van Bestuur (bijvoorbeeld door daar met een kleinere delegatie aanwezig te zijn) dan zouden we meer tijd hebben om in de commissies onderwerpen uitgebreider te bespreken en een eerste advies te formuleren. Dat advies kunnen we vervolgens in de gehele Wur council bespreken. Maar andere leden van de Wur council wilden juist dat de commissies minder macht zouden krijgen, dus die strijd is nog niet gestreden.

Voor mij is het na de zomer afgelopen met de medezeggenschap. De uitslag van de verkiezingen voor een nieuwe medezeggenschap is al bekend (ik heb me niet verkiesbaar gesteld en ben dus niet verkozen). Op 2 juli hebben we een korte bijeenkomst voor nieuw-verkozen OR leden die misschien in de Wur council zitting willen nemen. Hopelijk kunnen we genoeg van hen interesseren om ook op centraal niveau zitting te nemen in de medezeggenschap. Dan zullen we zien hoe zij denken over de rol van de commissies.

Nieuwe ontwikkelingen voor zorglandbouw

In de zorg staan allerlei veranderingen gepland. De AWBZ verdwijnt en een groot deel van de zorg gaat over naar de Wet maatschappelijke ondersteuning. Bovendien krijgen gemeentes meer taken. Hiervoor hebben ze een budget ter beschikking dat ze naar eigen inzicht kunnen inzetten voor lichte zorg, uitkeringen of re-integratie. Dit budget is lager dan wat tot op heden besteed wordt aan de zorg; het is dus meteen een bezuiniging.

Voor zorgboeren betekent dit dat er minder cliënten komen voor dagbesteding, dat er meer mensen komen die hulp nodig hebben om zelfredzamer te worden, te participeren, een diploma te halen of arbeidsvaardigheden op te doen, en dat er meer opvang nodig is voor kinderen die (tijdelijk) niet naar school gaan. De nieuwe regelgeving betekent dus enerzijds dat er minder geld beschikbaar is voor zorg(boeren), anderzijds biedt deze ook kansen voor nieuwe verdienmodellen. Doordat de meeste zorg nu via de gemeente geregeld wordt betekent het ook dat zorgboeren nauwer met elkaar en de gemeente zullen (moeten) gaan samenwerken.

Vorig jaar is binnen Wageningen UR een project gestart met als doel zorgboeren te helpen op deze veranderingen te anticiperen en in te spelen. Eén van de eerste producten die we hebben opgeleverd is een brochure. In deze brochure staan inspirerende voorbeelden van zorgboeren die nieuwe producten en diensten hebben ontwikkeld. Ook staan er tips en adviezen in waarmee zorgboeren hun eigen situatie onder de loep kunnen nemen en eventueel aanpassen. De brochure richt zich op drie ‘velden’ binnen de zorglandbouw: onderwijs, arbeid en de zorgboerderij als buurtvoorziening.

Download de brochure hier.

Voedsel op de kaart

In de laatste onderwijsperiode heb ik een groepje studenten geadviseerd die een ‘ecomap’ van Wageningen hebben gemaakt. Op deze online kaart is te vinden waar je in Wageningen ecologisch verantwoorde producten kunt kopen. Ecologisch verantwoord is door de studenten breed geïnterpreteerd; het gaat om lokaal en biologisch, maar ook om fair-trade en tweedehands, en om services met een ‘sociale plus’, zoals zorgboerderijen (en zo zijn er nog een paar waardes).

Het was behoorlijk lastig om te bepalen welke winkels, boerderijen en andere plekken op de kaart moesten komen. De groep heeft een aantal criteria opgesteld (bijvoorbeeld: lokaal voedsel) en moest vervolgens definiëren wanneer een product of service aan die criteria voldoet (wanneer is voedsel ‘lokaal’?). Daarna moest bekeken worden wanneer een winkel wordt opgenomen als verkooppunt (is één lokaal product voldoende of moeten dat er meerdere zijn?). Geen makkelijke opgave dus, maar de groep is er uiteindelijk goed in geslaagd dit soort keuzes te maken. Bovendien ziet de website met de kaart er ontzettend mooi uit. Bekijk hem hier: Ecomap Wageningen

Dit deed me denken aan een andere kaart, die collega’s van me hebben gemaakt. Daarop is te zien waar je in Flevoland lokaal voedsel kunt kopen. Hier gaat het dus niet om andere criteria als fair-trade en tweedehands producten, hoewel je wel kunt aangeven of je op zoek bent naar biologisch voedsel. Op deze kaart kun je ook specificeren naar welk type product je op zoek bent, en of je het in een webshop wilt kopen, in een winkel, bij een restaurant of bij de boer. Bekijk de site hier: Lokaal voedsel Flevoland

Het voordeel van deze digitale kaarten boven papieren exemplaren is natuurlijk dat ze veel makkelijker te updaten zijn. En je kunt ze ook gemakkelijk uitbreiden. Met nieuwe producten en diensten, of met nieuwe gebieden. Wie weet worden bovenstaande kaarten allebei nog eens onderdeel van een nationale ‘ecomap’.