De magie van de moestuin

Afgelopen vrijdag werd ik gebeld door een journalist van nu.nl, over de rage van de moestuin. Ze stelde best een aantal lastig te beantwoorden vragen (zijn groenten uit de moestuin gezonder? Eh, tja, dat ligt eraan!), of vragen waar ik ook alleen maar wat over kon speculeren (waarom is moestuinieren ineens hip?) maar het is een leuk stukje geworden: http://www.nu.nl/weekend/4015361/magie-van-moestuin-waarom-zelf-telen-terug.html.

Advertenties

Omzet en impact multifunctionele landbouw

Vorige week is de ‘omzet en impactmeting multifunctionele landbouw’ aangeboden aan de Staatssecretaris van Landbouw. Deze meting is de vierde in een reeks waarin we de stand van zaken van de multifunctionele landbouw bekijken; wat is de omzet van de sector en wat betekent ze voor de maatschappij? Ik ben sinds de tweede meting bij dit onderzoek betrokken en ben verantwoordelijk voor het meten van de impact van de multifunctionele landbouw.

Terwijl de methoden van de omzetmeting elk jaar zoveel mogelijk gelijk zijn, om de getallen van de verschillende metingen goed te kunnen vergelijken, doen we bij de impactmeting vaak juist iets anders om het beeld dat we hebben completer te maken. Deze keer hebben we gekeken wat de multifunctionele landbouw betekent voor een specifieke regio, in dit geval de regio’s rond Lopik en Woerden. Een interessante en onverwachte bevinding is dat de multifunctionele landbouw vooral veel lijkt te betekenen voor de lokale bewoners. We verwachtten dat ze vooral voor stedelingen, in dit geval bijvoorbeeld Utrechters, een belangrijke rol vervullen als plek waar ze tot rust kunnen komen, lokale producten kopen, en het platteland kunnen ‘beleven’. En hoewel dat natuurlijk ook gebeurt, zagen we vooral dat het voorzieningenniveau stijgt, lokale mensen soms werk vinden op multifunctionele bedrijven, ze ruimtes huren voor de lokale toneelvereniging, en voor hun feesten naar de lokale recreatieboerderij gaan.

Overigens bleek uit de omzetmeting dat de omzet in de multifunctionele landbouw in Nederland (12.800 bedrijven) tussen 2011 en 2013 met €14 miljoen is toegenomen tot €491 miljoen. De grootste sector is recreatie, educatie is de kleinste. Zie ook dit bericht op de site van Wageningen UR.

Hier vind je de brochure van de omzet- en impactmeting. En hier het achtergrondrapport van de impactmeting. Er stond ook een stukje in de Nieuwe Oogst.

Ingeleverd!

Vandaag heb ik mijn proefschrift ingeleverd. Maf hoor, ik heb het gewoon naar het secretariaat gestuurd, dus echt spectaculair is dat niet. De secretaresse print het dan uit, en stuurt het naar het secretariaat van het college van promoties. Die versturen het dan weer naar mijn leescommissie. Mij rest voorlopig niet veel anders dan wachten of het wordt goedgekeurd.

Vandaag was ook weer mijn eerste normale werkdag nadat ik heel februari vrij had genomen om aan de laatste loodjes te werken. Na een maand afwezigheid ligt er weer heel wat werk te wachten, dus een zwart gat is er voorlopig nog niet. Volgens mijn vriend heb ik nu wel tijd om eindelijk eens te gaan sporten, dus daarvoor moet ik even een nieuw excuus gaan zoeken 😉

‘Gij zult participeren’: Een discoursanalyse van moestuin-projecten voor minima in Nederland (MSc-thesis)

Interessante afstudeerscriptie over minima en voedseltuinen

Rural Sociology Wageningen University

Door Monique Jongenburger (Boerefijn) – MSc-student International Development Studies

Vijf jaar Internationale Ontwikkelingsstudies in Wageningen hebben me kritisch gemaakt op ontwikkelingshulp en interventie. Worden de deelnemers van projecten serieus genomen? Ik was dan ook geboeid door de uitzending van EenVandaag over moestuin-projecten voor minima in Nederland: “Geef geen geld maar groenten”. Kunnen Nederlandse ‘armen’ niet met geld omgaan? Ik besloot dat ik dit onderwerp verder wilde onderzoeken. Dit leidde tot de onderzoeksvraag van mijn thesis: Welk discours leeft er bij de initiatiefnemers van moestuin-projecten voor minima in Nederland over minima?

Om mijn vraag te beantwoorden heb ik een discoursanalyse toegepast. Ik heb me hierbij gebaseerd op de theorie en methoden van Foucault en de politicologen Bacchi en Yanow. Voor de analyse heb ik documenten verzameld over de projecten en bij zeventien initiatiefnemers een semi-gestructureerd interview afgenomen.

In heel Nederland bleken soort gelijke projecten te zijn opgekomen: voedseltuinen, minimatuinen en volkstuintjes…

View original post 392 woorden meer

Top drie der frustraties bij het afronden

In deze fase van het afronden van mijn proefschrift heb ik maar weinig te klagen; ik heb genoeg tijd, ik heb geen grote veranderingen hoeven doorvoeren en ik heb geen grote inzinkingen. Desalniettemin, een paar frustraties heb ik wel. Hier mijn top 3:

1. Figuren in excel. In mijn proefschrift gebruik ik aardig wat figuren die ik heb gemaakt in excel. En het is nog een hele klus om die figuren allemaal gelijk te krijgen. Heb ik net alles aangepast en van alle figuren PDFs gemaakt, vind ik nog ergens een spelfout. Of het lettertype is ineens erg groot, of ik zie bepaalde lijnen niet meer terwijl ze er toch echt zouden moeten staan. En omdat ik geen standaardopmaak gebruik maar mijn figuren handmatig heb aangepast, moet ik voor alles wat ik wil veranderen het hele figuur weer aanpassen. Bovendien moest ik nog een lettertype downloaden, wat ook niet ging zonder slag of stoot. En dan de onderschriften; sluit je af met een punt, of juist niet, wat zet je tussen haakjes en wat niet… gek word ik ervan! Over de referentielijst kan ik overigens nog zo’n verhaal afsteken, maar dat zal ik jullie besparen.

2. Wachten, wachten, wachten. In deze laatste fase ben ik nogal afhankelijk van anderen; mijn begeleiders kijken naar mijn stukken, de editor loopt alles na op de Engelse taal, en vervolgens maakt de opmaker alles netjes op. Al die mensen hebben natuurlijk tijd nodig, dat is logisch. En ach, zo lang duurt het vaak ook helemaal niet. Maar die afhankelijkheid vind ik wel lastig; ik wil gewoon doorstomen en heb alles het liefst per ommegaande retour. Tja.

3. Twijfel. Best spannend hoor, dat alles straks zwart op wit staat. Slaat wat ik heb geschreven wel ergens op? Heb ik me bij de conclusies niet teveel laten leiden door mijn laatste artikelen? Heb ik geen tunnelvisie ontwikkeld? Heb ik alles wat ik te weten ben gekomen wel meegenomen? En hoe ik die theory of practice heb beschreven, klopt dat eigenlijk wel? Soms kan de schrik me om het hart slaan; zeg ik geen tegenstrijdige dingen? Dan probeer ik snel te bedenken wat ik bij de verdediging zou zeggen als dat me verweten werd. Natuurlijk hebben mijn begeleiders het ook gelezen, en dat ze tevreden waren sterkt me. Maar ze hebben alleen de afzonderlijke hoofdstukken gelezen, niet het proefschrift van A tot Z. Ik probeer het hoofd maar koel te houden, lijkt me toch het beste 🙂

De Nederlandse samenvatting

De laatste loodjes; over drie weken moet ik mijn proefschrift inleveren. Kon ik me in december nog nergens anders op concentreren dan het schrijven zodat ik me rond oud en nieuw zo ongeveer doorzichtig voelde, deze maand voelt een stuk gezonder, omdat ik goed op schema lig. Het meeste werk is verzet, de hoofdstukken geschreven. Ik moet nog wel commentaar op de tekst verwerken, een hoofdstuk aanpassen naar aanleiding van opmerkingen van editors, en de laatste losse eindjes regelen: editen en opmaken, en zaken als titelpagina’s, referenties en stellingen opstellen.

En dan is er nog de samenvatting. Het is verplicht om zowel een Engelse als een Nederlandse samenvatting te schrijven, en daar ben ik momenteel mee bezig. Ik ben maar begonnen met de Engelse, ik schrijf mijn proefschrift immers in het Engels. Maar ja, de Nederlandse… Op zich schrijf ik nog redelijk vaak in het Nederlands; op dit blog bijvoorbeeld, maar ook de meeste rapporten die ik op het werk schrijf zijn in het Nederlands. Toch vind ik die Nederlandse samenvatting best lastig! Ik heb de Engelse tekst maar in google translate gegooid, en ben dat vervolgens aan het herschrijven. Want tja, ‘we leggen uit dat de toewijzing tuinders zijn betrokken bij de praktijk van het tuinieren’, dat is een beetje lastig te volgen. Ik heb de Engelse tekst er zelfs bij nodig, anders snap ik niet wat ik wilde zeggen. Het lastige is echter dat niet alle woorden die ik gebruik vertaalbaar lijken. Het gaat dan vaak om jargon. Dat een community garden in het Nederlands niet gemeenschapstuin heet maar buurttuin, is niet zo moeilijk. Maar hoe vertaal je de ‘theory of practice’, ‘Alternative Food Networks’, of ‘interest-based gardens’? Misschien is google translate niet zo’n goed idee, want het is moeilijk om de gegeven, vaak letterlijke, vertaling los te laten. En eigenlijk moet ik natuurlijk wel hetzelfde verhaal vertellen, maar niet per se met dezelfde soort zinnen. Ik puzzel er dus nog maar even op.

Nieuwe brochure zorglandbouw

Behandeling is een interessante richting voor zorgboeren die meer willen bieden dan dagbesteding. Diverse pioniers zijn er al mee gestart, waarmee ze voorzien in een behoefte van zowel cliënten als hun familie. Behandeling kan een interessant perspectief bieden; niet alleen financieel, maar ook omdat het een andere, professionelere uitstraling heeft dan dagbesteding. Er komt echter veel kijken bij behandeling; het is daardoor niet voor elk bedrijf geschikt.

Vanuit ons project ‘Zorglandbouw’  hebben een aantal van mijn collega’s daarom de brochure ‘Behandeling een kans voor de zorgboer’  ontwikkeld. Deze brochure bevat informatie over alle mogelijke aspecten met betrekking tot behandeling, zoals uitleg over welke doelgroepen geschikt zijn, hoe behandeling op zorgboerderijen eruit kan zien, welke meerwaarde behandeling op zorgboerderijen heeft, en hoe een ondernemer cliënten kan vinden. Ter illustratie en inspiratie vertelt een aantal zorgboeren hoe ze behandeling op hun zorgboerderij hebben vormgegeven. Bovendien zijn de mooie foto’s alleen al een kijkje waard.

Je kunt de brochure hier downloaden.

 

 

Stedennetwerk stadslandbouw als community of practice

Sinds 2010 linkt het stedennetwerk stadslandbouw ambtenaren van veertien Nederlandse steden. Ze komen bij elkaar om kennis te delen, problemen op te lossen en gezamenlijk kansen te grijpen. Toen het netwerk van start ging was het vooral intern georiënteerd; het ging om het leren van elkaar en het uitwisselen van ervaringen . Maar ondertussen is het geëvalueerd tot een meer naar buiten gerichte ‘Community of Practice’ – het netwerk verwelkomt niet meer alleen ambtenaren maar ook deelnemers die zelf een stadslandbouwinitiatief hebben of bij andersoortige organisaties werken. Zij kunnen leren van de ervaringen van steden die al langer betrokken zijn.

De deelnemers hebben samen een agenda stadslandbouw opgesteld, met als doel lokaal en nationaal beleid te beïnvloeden. De agenda stelt dat er vier belangrijke uitdagingen zijn om stadslandbouw verder te brengen; experimenteerruimte creëren, steun bieden aan regionale voedselketens, het faciliteren van een kwaliteitsverbetering en het verbinden van lokale initiatieven. 25 steden hebben de agenda ondertekend. Dit laat zien dat lokale overheden steeds meer de waarde van stadslandbouw gaan inzien.

Doordat ambtenaren aangesloten bij het stedennetwerk onderdeel zijn van een netwerk, legitimeren ze hun betrokkenheid bij stadslandbouw. De agenda stadslandbouw – waardoor een gezamenlijke ‘taal’ is ontstaan – versterkt deze legitimatie. Lees meer hierover in dit artikel.

Mijn trouwe vriend de koffiemolen

Ik ben nu zo’n vier weken fulltime aan het schrijven en het is interessant wat dat met je doet. Ik kan het nog goed volhouden, maar het valt me soms ook wel zwaar. Het moeilijkste vind ik dat ik alles uit mezelf moet halen. Natuurlijk heb ik mijn begeleidster, en zij geeft me ook echt aanwijzingen waar ik mee verder kan. Maar uiteindelijk moet ik daar dan zelf weer mee aan de slag. En soms weet ik gewoon even niet hoe. Gelukkig is gewoon maar weer beginnen een goed devies. Ik merk ook dat, nu de deadline voor het proefschrift steeds dichterbij komt, mijn wereld erg klein wordt. Dat komt niet alleen door het thuis werken, maar andere dingen worden steeds minder belangrijk omdat de focus op het proefschrift steeds groter wordt: ik sta ermee op en ga ermee naar bed. Mails van het werk waar ik anders meteen iets mee zou doen lees ik wel, maar vergeet ik vervolgens meteen. Ik denk daarom dat het goed is dat de kerstdagen voor de deur staan: een beetje afstand zal me wel goed doen (maar als ik eerlijk ben: liever werkte ik gewoon door…).

En hoe kom ik die weken thuis zitten en schrijven nu door? Heel simpel eigenlijk, ik heb er een paar nieuwe goede vrienden bij 😉

unnamedDe koffiemolen. Een trouwe vriend in de ochtend. En de namiddag. En de vroege avond.

20141222_155855 (1)

Het saaie uitzicht met de grijze lucht. In onze straat is niet veel te beleven en het weer nodigt ook niet meteen uit om naar buiten te gaan. Kun je toch net zo goed binnen zitten eigenlijk.

20141224_163935Kauwgom. Het kauwen schijnt je hersenactiviteit te stimuleren. Maar het voorkomt ook dat ik teveel ga zitten snoepen tijdens het schrijven.

IMG-20141224-WA0000En natuurlijk freecell. Lekker om elk uur even vijf minuutjes mijn gedachten te verzetten. En het geeft me het gevoel dat ik nog logisch kan denken  (dat laatste is natuurlijk een smoes, en dat eerste misschien ook wel). Weet je wat, ik start er nog even eentje op. Na de kerst maar weer verder. Fijne dagen allemaal!

Copyright

Hoera! Sinds deze week is mijn tweede artikel gepubliceerd, in Food and Foodways. Een fijn gevoel, want dit artikel heb ik twee keer behoorlijk moeten herschrijven – eerst bij het eerste tijdschrift waar ik het heb ingediend, en toen bij het tweede – en vervolgens heb ik nog eens aanpassingen moeten doen. Een lange weg dus.

Het interessante van zo’n proces van publiceren is dat je je aan allerlei richtlijnen moet houden met betrekking tot hoe je je artikel inlevert. In dit geval moest ik de volledige tekst inleveren zonder de plaatjes en tabellen, een versie zonder de auteurs erop (in verband met het anonieme reviewen), de figuren als aparte files, een excelfile met alle tabellen, en nog een wordfile met daarin de tabellen geplakt, alsmede alle onderschriften van de tabellen en figuren. Ik heb deze week ook net mijn vierde artikel ingediend, en daar moest het weer allemaal anders, dus het is altijd goed opletten hoe ze het willen hebben, en uiteindelijk heb je dus allerlei verschillende versies (met tabellen, zonder tabellen, met auteurs, zonder auteurs, in het gevraagde lettertype, etc.).

Uiteindelijk is het allemaal mooi opgemaakt, met de tabellen en figuren in de tekst. Ik mag die versie echter niet delen, want er zit copyright op – en dat ligt niet bij mij. Wel mag ik de laatste versie die ik heb ingediend delen, en dat doe ik dus bij deze. Maar daar zaten dus geen figuren en tabellen in… Die heb ik gisteren geprobeerd tussen de tekst te plakken, maar word wilde niet erg meewerken en alles bleef verspringen. En omdat ik de stress en tijdsdruk van het proefschrift schrijven aardig begin te voelen, en ik negentien figuren heb, heb ik het opgegeven. In het document daarom eerst alle tekst, en achteraan de figuren en tabellen. Download het artikel hier.

O ja, wat staat er nu eigenlijk in dat artikel? Ik laat zien dat het eten van voedsel uit buurttuinen verweven is met andere activiteiten, en dat hier een verschil is tussen mensen die zelf tuinieren en mensen die eten kopen op de tuin. Mensen die zelf tuinieren, bijvoorbeeld in de volkstuin, eten vaak veel zelf-geproduceerd voedsel. Dat komt omdat ze verantwoordelijk zijn voor hun tuin, en van tuinieren houden, en dus vaak op hun tuin zijn. Het is dan makkelijk om de oogst mee naar huis te nemen. Dus: hoewel het tuinieren op zich wel veel tijd kost, is het meenemen van voedsel helemaal niet tijdrovend (want een gevolg van het tuinieren). Als mensen niet zelf hoeven te tuinieren – omdat ze de groenten kunnen kopen – wordt het bezoeken van de tuin een soort winkelen; mensen hebben geen verplichting om naar de tuin te komen en dus moeten ze het shoppen op de tuin elke keer afwegen tegen andere activiteiten. De tuin gaat dan concurreren met bijvoorbeeld de supermarkt. Mensen die niet zelf tuinieren hebben daardoor in de praktijk moeite om vaak voedsel van de tuin te eten; in het leven van alledag schiet het er soms bij in.